LAATSTE PREEK

 

Adventskerk, Invocabit 21 februari 2021, Deuteronomium 29,1-5 en Marcus 1,12-15       

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Afgelopen woensdag - Aswoensdag - begon de veertigdagentijd. U hoorde in beide lezingen daarnet wel waar dat getal ‘veertig’ vandaan komt.

Het is een tijd van bezinning en verdieping. In de Roomse traditie een tijd van vasten. Dat is het loslaten van de minder belangrijkere dingen omdat je vast wilt houden aan wat er werkelijk toe doet.

In beide verhalen van deze morgen gaat het ook over de woestijn. Het volk Israël dat er veertig jaar rondtrok. Jezus van Nazareth, zoon van dat volk, die die veertig jaar woestijnervaring in zekere zin wil ‘herbeleven’, zich eigen wil maken.

Of sterker nog: die zich door dat verhaal eigen wil láten maken. Deel van wil zijn. Juist in een woestijn, waar niets is, héb je niets in handen en besef je eens te meer - zoals we straks zingen: ‘Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd, is leven van genade, buiten de eeuwigheid, is leven van de woorden, die opgeschreven staan en net als Jezus worden die ’t ons heeft voorgedaan’.

Met bijna een jaar corona in onze wereld, hoeven we dit jaar misschien minder moeite te doen om te zien hoe toepasselijk het beeld van ‘onze wereldtijd als woestijn’ is. We organiseren ons een slag in de rondte, maar hebben het virus er nog niet onder. We zijn - weer dat lied - ‘geen god onder de goden’, ‘geen engel en geen dier’, maar mens en dat is: ‘de dood aanvaarden, de vrede en de strijd, de dagen en de nachten, de honger en de dorst, de vragen en de angsten, de kommer en de koorts’.

Verstaat u dat ‘aanvaarden’ vooral niet als iets passiefs, lijdzaams. Dat is het nu juist niét zullen we deze veertig dagen zien! Integendeel, dat ‘aanvaarden’ is een taak, een diepe opdracht, waar je je handen en hart aan vol hebt.

Het is de taak van het vasthouden aan wat werkelijk belangrijk is voor dat menszijn en van het loslaten van wat onbelangrijk is. En juist dát vinden we in deze tijd ontzettend moeilijk.

Die hele strijd om de avondklok afgelopen week gaat daar natuurlijk ook over, over vasthouden en loslaten. Ik heb de wijsheid hierin niet in pacht. Maar mij valt op dat het ons - ook mezelf - zo moeilijk valt om de vertrouwde wijze van leven los te laten. Om te kunnen vasthouden aan het wezenlijke van het samen leven. Het lijkt er nogal op dat bijvoorbeeld de verworven individuele vrijheid krampachtig en koste wat het kost met worden vastgehouden, desnoods ten koste van het wezenlijke van het leven samen met anderen. Met mensen die ánders zijn dan jijzelf, misschien ouder en kwetsbaarder dan jij.

Ja, maar, - hoor je dan - het is ook niet gemakkelijk om in deze tijd jong te zijn: juist in die jaren van ontplooiing, van jezelf leren kennen, de wereld veroveren - althans een eigen plek daarin, opleiding, vrienden maken. En dat wordt nu zo gefnuikt.

En dat klopt. Dat stelt teleur, maakt moedeloos en doet pijn. Dat valt niet te ontkennen. In die zin is het trouwens voor ons allemaal - jong en oud, gezond en kwetsbaar, ‘jonge loot’ en ‘dor hout’ - een zware tijd.

En misschien helpt het als we die erkenning verbinden met dat beeld, dat verhaal over de veertig woestijnjaren van het volk Israël én de veertig woestijndágen van Jezus.

Want dan kun je misschien net als dáár ook in ónze tijd eens het woord ‘beproeving’ laten vallen. Gewoon ‘beproeving’ zoals we dat woord gebruiken wanneer we zeggen dat een situatie ‘een hele beproeving’ voor ons is.

 

Ik ga met uw goedvinden nu niet theoretiseren of die beproevingen van God komen of dat die ze toelaat, óf van de Geest of van de satan. Dat soort bespiegelingen leidt namelijk zo áf van waar het om gaat: de liefde en kracht van God die ons door elke beproeving héén wil helpen.

Marcus zegt dat de Geest Jezus de woestijn in drijft. De Geest van God dus. En moet je nou eens kijken hoe hard het in het leven kan gaan. In het verhaal hiervoor was het allemaal top: Jezus had zich laten dopen, de hemel ging open, Gods stem ‘jij bent mijn geliefde kind’ was te horen, de geest kwam tortelend als een duif naar beneden en Johannes de Doper stond erbij te glunderen.

Maar nu verdrijft diezelfde Geest de euforie: de hemel is gesloten, daarboven is alleen een ijzig zwijgen, de duif is gevlogen en Johannes de Doper wordt dadelijk gevangen genomen.

Wat stelt dan al dat voorgaande: de doop, de stem van God en de geestkracht nog vóór? Wanneer het leven zo’n woestijn is geworden?

Het is de vraag van het volk Israël geweest, veertig jaar in de woestijn: bevrijd uit slavernij, een God die zelf meegaat en een eigen land belooft. Maar eenmaal in de woestijn, onder honger en dorst: wat stelt wat ons zo-even nog hoopvol, hooggestemd, verwachtingsvol en belóófd was nog vóór, in die woestijn?

Zo ook voor ons: we zíjn een vrij land. We leven in vrede met elkaar. Er wordt voor wie kwetsbaar is gezorgd. Onze graag schaatsende minister van financiën heéft hele diepe zakken - we zijn schathemelrijk. En er zijn vaccins en er is goede zorg. Kortom: we kunnen tegen een stootje. Maar nu in de coronawoestijn grijpt velen van ons dezelfde vraag naar de keel: wat stelt dit nu allemaal vóór? Houden we het wel vol om ons nog een tijd in te houden?

En ziet u: dát heet dan ‘beproeving’.  Niet zelden zegt onze lieve Heer in de Bijbel: ‘Laat me nou eens zien wat er in jullie hart is! Aan lange adem. Aan geduld. Aan uithoudingsvermogen. Laat me nou eens zien waar je op hoopt - dát je kunt hopen. Kunt vertrouwen. Geloven dat het goed komt. Ja, sterker: zit  er in jullie hart niet het vermogen met tegenslagen om te kunnen gaan, waar is die kracht? Waar blijft je verbondenheid met anderen als het jouzelf tegenzit? En last but not least: vertrouw je in dit alles niet op míj, je God, die keer op keer jou de nodige kracht heeft gegeven?

Heel de reis van Jezus deze veertig dagen, in álle verhalen van het Evangelie, te beginnen met zijn bezinning in de woestijn, is een tocht door de wereld die als een woestijn is. Een wereld van honger en dorst, van gebrek, van tegenwind, van wilde dieren, van brandende hitte en donkere nachten, van wanhoop en moedeloosheid.

Hij aanvaardt die weg - omdat hij van dat Evangelie weet: die bemoedigende, áánmoedigende, boodschap dat het ‘nu of nooit’ is, dat het Koninkrijk van God - Góds liefde die het voor het zeggen heeft - heel dichtbij is, ook in de woestijn. Als een bron onderweg die met je meegaat!

Een bron die je niet uit de woestijn weghoudt, weglokt, doet alsof het wel meevalt, maar als geestkracht, als een vuur dat in je brandt, je erdoorheen jaagt, stuwt en stimuleert vol te houden. er iets goeds van te maken, bewoonbare wereld.

Zelfs dat het voor Jezus een weg naar de dood is ontkent het Evangelie niet, maar ook dat is beproeving. Want wát is diep in je hart, in je drijfveren, het diepste wat je wil: óverleven? Of is het: menswaardig leven?

Ik weet dat dat extreem klinkt, toch is het uiteindelijk de kernvraag onder alle vragen waar we ook vandaag mee worstelen. In Trouw citeerde iemand de ‘spiritueel leraar’ Eckhart Tolle: ‘‘Het geheim van leven is dat je kunt sterven voor je dood’. Dat klinkt wellicht negatief, maar is het niet. Tolle heeft het over de dood van het ego. Het inzicht dat je meer bent dan een optelsom van behoeftes, frustraties, angsten.’

Dit zijn die wilde dieren in de woestijn. Ik zal maar zeggen: als ík een wat woeste, los lopende hond zie, loop ik er graag snel met een grote boog omheen. Dat ligt meer aan mij dan aan die hond, zal elke psycholoog je kunnen vertellen. Er zijn zoveel dingen in ons leven die ons angstig maken, vaak ‘wilde, ongetemde, dieren’: ‘beren op de weg’. Of denk aan de slang in het paradijs die alles kan verpesten.

Het is in de verhalen zó: als ‘satan’ je beproeft - en satan is dan niet de gehoornde figuur met de drietand, maar veeleer een zeuren als een soort kiespijn, knagende vragen stellen - dan klinkt het zo: ‘Je houdt het toch zeker niet meer vol zoals het nu gaat? En waarom zou je ook? Vanwege ánderen? En jíj dan?’

Als ‘de Geest’ je beproeft - en dat is dan de kracht van de liefde van God voor en ín de mensen - dan klinkt het zo: ‘Hou vol! Hou vol aan wat goed is, ook in deze barre tijden, ook al zie je de afloop nog niet! Hou vol, laat die liefde en laat elkaar niet los!’

Die ‘wilde dieren’ zijn er. Maar, zegt Marcus, er zijn ook engelen. Engelen die je dienen. Die je deze kracht van de liefde toedienen als manna en helder water uit de bron. Als je goed om je heen kijkt, zié je ze.

In Deuteronomium zegt Mozes iets over precies dát zien. Hij zegt, terugblikkend op die veertig jaar: jullie hebben het allemaal gezien, die beproevingen én de tekenen en wonderen waarmee God jullie op de been hield.

En dan komt het, dan zegt hij: ‘Maar pas vandaag, nú, heeft de goede God jullie werkelijk een hart met inzicht gegeven, ogen om in te zien, oren om te verstaan.’

Soms zie je pas achteraf wat jou in een moeilijke of verdrietige periode - die toén daadwerkelijk inktzwart was - heeft geholpen. Wat er geweest is aan steun, aan een glimp, een gebaar, een streepje licht. Dat je kleren en sandalen niét versleten zijn, dat iemand met wat brood kwam, je een glas inschonk - dat liefde toereikend was, in die ‘woestijn’. In nieuwe tijden van beproeving gaat dat hopelijk met je mee, mag je dat wéten. Om je te laten sterken.

Het is als in dat helaas wat grijs gelezen gedicht ‘Voetstappen in het zand’, u kent het wel. De dichteres ervan wist haar hele leven dat er ‘iemand’ nabij was. Maar omkijkend - naar haar als strandwandeling verbeelde levensloop - ziet zij af en toe (juist toen het moeilijk was) maar één paar voetstappen. ‘Waar was u?’ houdt ze haar God voor. En dan blijkt achteraf: het waren niet háár voetstappen, maar die van God - van de Liefde die haar heeft gedragen.

Dat weer te weten en te horen zal ons kracht geven, ook in deze tijd, uithoudingsvermogen!

Moge het zo zijn - Amen.

 

Adventskerk, 7 februari 2021, Habakuk 3,1-5.12-13.16-19 en Marcus 1,29-39                   

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Jezus en zijn leerlingen komen uit de synagoge, zoals u straks - ook al zit u momenteel thuis voor ons YouTube kanaal - weer ‘uit de kerk’ ‘naar huis’ gaat.

Want het kan niet alleen bij horen blijven. Er moet ook gedaan worden. Er is ook de praktijk, ons doen van wat we horen. In ons dagelijks leven.

Maar ín die synagoge - dat verhaal hoorden we vorige week - was een man die niet in staat was om te horen, omdat hij bang was dat wat hij daar te horen kreeg, hem zijn leven zou doen verliezen. Want Jezus’ prediking gaat nogal tegen hoe wij gewoonlijk leven ín.

En nu komen we uit die synagoge in het huis van zijn leerling Simon Petrus, ‘op de koffie’ zal ik maar even zeggen. Maar hiér is nu een vrouw tot niets in staat: ze ligt door koorts geveld op haar bed.

Het is de schoonmoeder van Petrus. Waarbij je je dus ineens realiseert dat Petrus - die in de roomse traditie als ‘eerste paus’ geldt - getrouwd was! De moeder van zijn vrouw ligt dus ziek in bed. Tot niets in staat. Juist nu haar schoonzoon thuis komt uit de synagoge mét die man uit Nazareth achter wie hij zomaar is aangegaan. Netten, boot en beroep achter zich gelaten omdat die kerel hem ‘visser van mensen’ wil maken.  

Zou dát het zijn wat haar ziek maakt, koortsig? Als ik het goed heb is koorts onze fysieke reactie op infectie. Een gevecht tegen wat ons belaagt, aan ons vreet.

De man uit Nazareth dringt zo maar haar leven binnen en dat van haar dochter. Hoe lang waren ze nu getrouwd? Krijg je dit. Wég vaste baan, wég toekomstperspectief - en kleinkinderen komen er natuurlijk ook niet op deze manier. Haar dochter zal toch niet méé gaan met Simon achter die kerel aan?! Want wát moet zíj dan? Ze wonen nu net zo lekker met z’n allen in dit huis…

Koorts. De temperatuur loopt hoog op. Het is een verhit gevecht met een ongewenste indringer in ons bestaan. Ziekte in de Bijbel is nooit alleen maar fysiek.

Bij ons misschien ook wel niet. Het gevecht met corona zet ons hele leven op z’n kop. Met grote economische gevolgen. De vraag naar wat solidariteit is wordt steeds indringender gesteld. Onze verbondenheid - van sterken met zwakken - steeds meer beproefd. Hoe gaan we om met leven en dood, wat is de kwaliteit van het leven? Kunnen we straks weer terug naar hoe het wás of wordt alles eens en voorgoed anders? Er is op dit ogenblik voor al deze vragen geen perspectief en juist dát missen we steeds meer!

We zijn een koortsige samenleving geworden net als de schoonmoeder van Simon Petrus. En de vraag is: wat zal haar - en mogelijk óns - genezen?

Nu moeten we eerst iets zeggen over genezingsverhalen in de Bijbel. Onze indruk van die verhalen is altijd geweest: je hebt een kwaal en Jezus kan die genezen. Want ja, dat kan hij nu eenmaal. En zo wordt hij door al dat genezen in onze ogen - naast andere kwaliteiten - ook een soort ‘dokter’.

Maar dat ís hij niet. Want zodra in de verhalen de mensen dat gaan denken en ze massaal naar hem toekomen, neemt hij de wijk. Hij hád de rest van zijn leven in dit dorp kunnen blijven en zich kunnen vestigen als beroemd  genezer: ‘Laat de zieken tot mij komen’. Hij doet het niet.  En je hoort hem zeggen: ‘Ik ben erop uit gegaan om het Evangelie te verkondigen’.

Voor hém is kennelijk nog belangrijker wat hij te zeggen heeft, omdat hij ‘woorden’ heeft die iets met mensen doen dat meer is dan genezen.

Misschien kijken we verkeerd, te ‘medisch’ ook. De genezer geneest een ziekte. Jezus geneest een mens. Mensen.

Dat zie je ook aan hoe hij dat doet. Dat is ánders! Iedere dokter wacht tot de grieppatiënt in bed herstelt voor die weer op mag staan. Maar Jezus laat haar meteen ópstaan! En nu weet je meteen wat haar ‘ziekte’ was: want ‘opstaan’ is in de Bijbel niet het tegenovergestelde van griep, maar de remedie tegen: bij de pakken neerzitten, de moed verloren hebben, de hoop opgeven, het leven laten voor wat het is als was je al dóód. Daartegenin gaat de opstanding! En de koorts verlaat haar!

Aan de genezing kun je in de verhalen zien wat de kwaal was. Wát kon ze, toen ze ziek was en koortsig lag te woelen, niet wat ze nu wel kan?

‘Zij is hen gaan dienen’, schrijft Marcus. Aha: dus ‘hen niet kunnen dienen’ was haar kwaal en dáárvan is ze nu genezen! Haar verhitte strijd met haar weerzin tegen die man die haar schoonzoon en misschien wel haar dochter afpakte is genezen! Ze zag geen perspectief, maar nu is ze opgestaan middenin die koorts en de koorts laat haar los en ze besloot: ‘Ik ga er het beste van maken! Als mijn dochter met die man meegaat, dan ga ík óók mee!

Dienen. Dat is ze gaan doen. Dat is haar ‘genezing’. In de Tora komt dat een paar keer voor: dat onze lieve Heer tegen Mozes zegt dat het de ziekte van het volk is dat ze geen gehoor kunnen geven aan Zijn woorden, aan Zijn onderwijs en raadgevingen, waarmee ze nou juist elkaar zouden dienen! Helpen, bijstaan, troosten, zich verbinden!

‘Koorts’, zegt bijvoorbeeld Leviticus, is het bijzondere symptoom van niet kunnen luisteren, niet naar de goede God en niet naar elkaar. Dat is geen medische verklaring, maar een existentiële. Kennelijk ben je in beslag genomen door iets anders. Lig je je eigen verhitte worsteling uit te vechten. Dát is de ziekte. En de genezing is: opstaan en dienstbaar zijn, God en de naaste met menslievendheid dienen.

Nu is zeker vanuit het verleden de combinatie van ‘vrouwen’ een ‘dienen’ wat beladen. In een Bijbelcommentaar uit 1951 lees ik bijvoorbeeld over Simon Petrus’ schoonmoeder: “De koorts verliet haar zo volkomen, dat zij direct kon opstaan en bij het bereiden van de avondmaaltijd behulpzaam kon zijn”. “Vast spruitjes”! denk je dan meteen.

Maar ‘dienen’ in bovengenoemde zin is in de Bijbel buitengewoon wezenlijk. Het volk Israël is in het boek Exodus uit slavendienst - van het dienen van een dictator ­bevrijd, om in die vrijheid voortaan een God te dienen die de bron en inspiratie is van onze onderlinge dienstbaarheid, het dienen van elkaar. Dat heeft te maken met verbondenheid, rechtvaardigheid, solidariteit en liefde.

Onderweg met zijn leerlingen zal Jezus hen steeds voorhouden dat hij niet gekomen is om te heersen maar om te dienen. Nou, die mannen, zo blijkt telkens, hebben het er maar moeilijk mee. Je leest nooit dat zij ‘dienen’. Dat doen bij Marcus alleen de engelen in de woestijn, als ze Jezus na de beproeving daar ‘dienen’. Én vrouwen dienen.

Onder bij het kruis staan helemaal aan het einde van het Evangelie  ‘vrouwen die hem gevolgd waren uit Galilea en die hem - al die tijd - hadden gediend. Ik stel me zo voor dat de schoonmoeder van Petrus en haar dochter daar bij waren!

Onze drang tot ‘vrijheid’ in de zin van: ‘ongebondenheid’, heeft niet zoveel op met zulk ‘dienen’. Dat zit onze vrijheid maar in de weg. Maar nu corona als een infectie niet alleen onze lijven kan binnendringen maar vooral onze maatschappij al totaal is binnengedrongen en we koortsachtig worstelen met onze vrijheid, kun je je afvragen of genezing dáárvan niet zou kunnen liggen in een ‘opstaan’, een ‘opstanding’ tot zulk dienen!

Liggen we als samenleving niet net als Simons schoonmoeder in bed, tot niets in staat, omdat het perspectief is weggevaagd? Omdat het leven zoals we dat uitgedacht hadden op z’n kop is gezegd?  Is zulk dienen dan misschien de genezing?

In Trouw boog het Filosofisch Elftal zich over de vraag naar perspectief in deze coronatijd. Vooral voor jongeren in de lockdown. De twee filosofen die met elkaar in gesprek gingen, zetten eerst wat vraagtekens bij het ‘hebben van perspectief’. ‘Waarom moeten we toch altijd weten waar we onszelf over vijf jaar zien?’, vroeg er een. Kan dat niet anders? Moeten we jongeren niet ‘uitrusten met een sterker “ik”?’

‘Want wat je nu ziet, is dat jongeren niet in staat zijn zichzelf tot bloei te laten komen tijdens de lockdown’. En dat komt dan weer door een maatschappij die ontzettend planmatig is, studietrajecten barsten van de protocollen. Alle stille momenten worden opgevuld met prikkels van sociale media. ‘Onze jongeren hebben niet geleerd zich te vervelen. Terwijl je in de verveling juist op een ander spoor kunt komen, je eigen interesses en talenten kunt inzien. En die zijn je houvast. Niet omdat ze je perspectief bieden, maar omdat ontplooiing ervan je bevrediging zal geven. In de lockdown is daar alle tijd voor.’

Eén van hen Désanne van Brederode, pleit voor het koppelen van jongeren aan vluchtelingen, daar wordt iedereen beter van: ‘“Vluchtelingen weten wat het betekent om om te gaan met grote onzekerheid en eenzaamheid. Ze weten zich daarin toch staande te houden. Leren hoe onberekenbaar de werkelijkheid is Het kan een goede leerschool zijn voor de jongeren hier.’ Zo helpt - dient - de één de ander.

De profeet Habakuk tenslotte heeft ook koorts. Zijn wereld staat om hele andere redenen op instorten. Hij bidt, in wanhoop, tot zijn God. Die zal toch zijn hulp zijn, ooit een keer, denkt hij ergens. Maar vooralsnog stort zijn perspectief volledig in. Eerst wordt alles nog erger dan het al was. 

Hij gelooft wel dat God eraan komt, en recht zal doen, alles recht zal zetten. Maar eerst lijkt God meer op een gletsjer die alle ellende voor zich uit duwt en Habakuk en zijn volk eronder bedelven zal. ‘Als pest en koorts’ ziet hij het op zich afkomen. Eérst moet alle onrecht worden uitgeziekt! Hopelijk met wat mededogen, bidt hij! Het is toch uiteindelijk om ons te redden - ‘we redden het toch wel, God?’ smeekt hij. Het zijn de schietgebedjes van onszelf in deze tijd.

Hij beeft en trilt van de koorts, maar langzaam maar zeker vat bij hem post, op de bodem van deze storm, een nieuw vertrouwen: Al zal de vijgenboom niet bloeien, al zal de wijnstok niets voortbrengen, al zal de oogst van de olijfboom tegenvallen, al zal er geen koren op de akkers staan, al zal er geen schaap meer in de kooien zijn en geen rund meer binnen de omheining – toch zal ik juichen voor de HEER, jubelen voor de God die mij redt.

In alle beangstigende, perspectiefloze verwarring staan op midden in zijn bidden: de hoop en het vertrouwen tegen de koorts die hem verlamt. Terwijl de koorts wijkt, hoort hij weer de stem van zijn God, de stem van het dienen en helpen, de stem van de liefde.

Bidden in de nacht is wat aan het einde bij Marcus ook Jezus doet en het is het meest wezenlijke wat en moedige we nu kunnen doen: opstaan in deze nacht - nee: tégen deze nacht, opstaan tegen het donker dat ons ziek wil maken.

Dat zal ons genezen - moge het zo zijn,

Amen.

 

Adventskerk, 31 januari 2021, Marcus 1,21-28                                           

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Ik vond het een verademing om afgelopen week de nieuwe Amerikaanse president op de televisie te zien. Het gaat me niet om zijn politiek, maar om iets wat hij zei toen hij de Amerikanen bijpraatte over zijn corona-aanpak.

Hij zei zoiets als: ‘verwacht maar niet dat het nu allemaal meteen beter wordt, integendeel, het zal nog een hele tijd slecht gaan en we zullen nog veel mensenlevens verliezen, vóór het beter wordt, maar het wórdt dan wél béter.’

Wat me trof was dat hij durfde te zeggen dat het vooralsnog slechter zal gaan. Dat hij niet bang was - zoals zijn voorganger - met zo’n boodschap als ‘loser’ over te komen, verlies,  gezichtsverlies te lijden.

Want zulke angst voor verlies - zelfverlies - zit ons allemaal verschrikkelijk in de weg. In de weg bij het vinden van oplossingen voor de grote problemen die we momenteel hebben.

De angst voor het virus en daaraan gepaard de angst voor verlies van het leven zoals we dat tot een jaar geleden gewoon konden leiden, beïnvloedt ons enorm. En verdéélt ons.

Deze angst heeft veel facetten die ons verdelen en de samenleving dreigen te splijten. Angst voor de gezondheid en dood van vooral kwetsbare mensen, ons dierbare mensen. Angst om onze eigen gezondheid of eigen overlijden. Maar ook: angst voor het verlies van werk, je bedrijf, je creatieve beroep. Angst voor het psychische welzijn van ouderen en steeds meer ook van jongeren. En tenslotte de angst voor het verlies van vrijheid.

Je zou denken: die angst verbindt ons dan tenminste nog, maar néé: ze verdéélt ons juist verschrikkelijk. Ieder heeft schijnbaar z’n eigen angst. We bieden tegen elkaar op met die angsten: ‘Mijne heeft prioriteit’- ‘Nee: míjne!’. Verschrikkelijk! De gevolgen zagen we in opperste heftigheid afgelopen zondag en maandag in de straten van een aantal steden.

Maar óók in de reacties erop: de nogal hárde en wat mij betreft bête kwalificeringen, óók door gezagsdragers, als: ‘tuig’, ‘schuim’ en ‘criminelen’. Voorstelbaar - maar niet verbindend, niet uit op willen verstáán wat verstaan moet worden. We dreigen elkaar verder los te laten.

Al waren de spontane opruim- en bezemacties en geldinzamelingen hartverwarmend. Dat moet je óók willen zien!

Angst: we weten - we voelen wel wat we zouden moeten doen. We vermoéden wel dat er voor de huidige crisis geen gemakkelijke oplossing bestaat. We hebben wel besef van het verlies dat we vrijwel allemaal zullen lijden door deze situatie. De één meer en een ander veel minder. En dat we dus de meest getroffenen zouden moeten helpen. Dat weten we. Maar de angst ook maar iets van onszelf te verliezen zit diep. Is een sta-in-de-weg.

Nu denk ik dat wereldwijd en de eeuwen door vele preken zo beginnen. En dat ook vele debatten en gesprekken hierover gaan - ‘mooie preek’, goed debat’, ‘prachtig gesprek’, zeggen we dan na afloop. Er worden mooie dingen aangereikt en uitgewisseld die ons weer voor even troosten.

Maar om zulke ‘mooie’, d.w.z. verbindende en menslievende gedachten ook zélf uit te voeren of zelfs maar voor mogelijk te houden dat ze wérkelijkheid worden - dat staat onze angst voor verlies, voor verandering, niet toe. Dus laten we het veelal bij zulke mooie gedachten.

Zo ook in die synagoge in Kapernaüm waar Marcus ons mee naartoe neemt. Om ons een spiegel voor te houden natuurlijk, want we herkennen in die synagoge meteen onze eigen kerk. Of het eerste het beste praatprogramma. Of het goede gesprek dat je soms met elkaar hebt.

Jezus geeft daar onderwijs, d.w.z. uitleg van de Tora: van vele mooie verhalen en gedachten, zoals dat in de synagoge gebeurde en gebeurt.

Maar iedereen raakt van z’n stuk van zijn onderwijs! Want hij onderwijst als iemand met gezag - ‘niet zoals de Schriftgeleerden’, zegt Marcus erbij om je te laten voelen wat hij bedoelt. Niet zoals de theologen, de beroepsredenaars, de ‘meningenboeren’ op de televisie.

‘Gezag’. Waarin zit ‘m nou dat gezag? Het woord betekent zoiets als ‘kracht’, ‘zeggingskracht’, ‘overtuigingskracht’, ‘effect’. Maar dan nog. Iemand[1] schreef dat Jezus om te beginnen zijn eigen leven onder het gezag van de verhalen stelde en daarom het gezag had deze verhalen uit te leggen. ‘Er is geen tittel of jota waarvan hij zegt: dat geldt niet voor mij.’

Als je dat op je in laat werken en dan denkt aan waar we het over hadden, over onze angsten, dan zou dat dus betekenen dat voor hem niet het ‘gezag van zijn angsten’ maar het ‘gezag van de woorden’ - van de goede God zelf - geldt.

Dat als je hem daar hoort uitleggen - dat je dan denkt: ‘Verrek, en hij gaat het nog zelf doen ook!’.  Of tenminste: dat je voelt dat hij gelooft dat het kán wat daar staat. Wat daar gezegd en beloofd wordt. En dat voor hém niets dat wat daar staat over wat er kan gaan gebeuren in de weg staat!

Was zijn eerste prediking niet: ‘De tijd is vervuld, het moment is daar en het Koninkrijk van God is dichtbij’? In zijn uitleg hoor je de kracht van wat er aan menslievendheid en gerechtigheid onherroepelijk gaat gebeuren!

Niemand in die synagoge die het hardop zegt - je kon een speld horen vallen - maar ze dachten er allemaal aan: ze voelden de gloed, ja, de hitte van zijn woorden - gloedvolle woorden! En ze wisten allemaal: hij gaat het doen ook, hij gaat die woorden wáár maken!

En dan: heibel, gestommel, lawaai! Er staat er eentje op. Hij schreeuwt. ‘Wat hebben wij met elkaar, Jezus, Nazarener? Kom jij om ons ons leven te laten verliezen? Ik weet wie jij bent: de heilige van God!’

Daar is ze: de angst, onze naakte angst! ‘We kunnen die gloed niet aan, het wordt ons te heet onder de voeten. We verliezen onszelf en al wat we hebben als we hierin meegaan.’

Later in het Evangelie zijn twaalf leerlingen van Jezus inderdaad met hem meegegaan. Op een nacht zitten ze letterlijk met hem in ‘hetzelfde schuitje’, met een schip naar de overkant. Het stormt en gaat tekeer. In hun harten stormen de angsten: ‘we vergáán, we zijn verloren!’

‘Waren we er maar nooit aan begonnen’,  zegt het volk Israël in de woestijn tegen Mozes en Aäron. ‘Hadden we maar nooit naar jullie geluisterd, jullie zijn ons “veel te heilig”, zeggen ze ergens letterlijk. We kunnen de hitte van de woestijn - ook al loopt precies dáár de weg naar het beloofde land - niet áán! De heiligheid van deze belofte is ons teveel - het zal ons kapot maken, we zullen onszelf verliezen.

Ziet u: we hébben wel mooie gedachten en idealen, maar aan de verwezenlijking ervan durven we onze handen niet te branden. Dat een rechtvaardige wereld, met eten en drinken en onderwijs en gezondheidszorg voor iedereen wérkelijkheid zal worden - daar moeten mensen die veel te verliezen hebben niet aan denken. Ja, zelfs als je weinig te verliezen hebt, zoals het volk in de woestijn, ben je nóg bang het weinige te verliezen dat je hebt en verlang je zelfs terug naar wat je in slavernij in Egypte nog wèl hád.

Hoe moet dat dan met mensen en hun angsten? Terug op onze schreden, naar Egypte, naar de zekerheid van het onrecht? Terugvaren met je schuitje, niét meer met Jezus meegaan, terug naar je netten en je hengels?

Moet Jezus de synagoge maar verlaten en zijn mond houden als de onreine geest zo verschrikkelijk tegen hem schreeuwt?

Zal het goede, het ideaal, de belofte, het visioen het verliezen van zulke angst? Zal een samenleving die in gezamenlijkheid vecht tegen corona, met aandacht voor álle kwetsbaren én met de bereidheid voor elkaar iets over te hebben wat wérkelijk veel vergt en kóst - zal die het verliezen van de als woede verklede en op twitter of in straten en pleinen uitgeschreeuwde angst?

Markus noemt het een ‘onreine geest’. ‘Onrein’ is in het Oude testament wat de gemeenschap, de samenleving, bedreigt. Onreinheid moet je altijd isoleren, tot het geneest. En de erdoor besmette mens neem je dan weer volop in je gemeenschap op. Vooral voor dat laatste heeft Jezus zich met nadruk ingezet. Want het is ook ‘onrein’ om de onreine definitief buiten te sluiten. Elkaar te verketteren, ‘melaats’ te verklaren.

‘Wat hebben wij met elkaar te maken?’ roept de onreine geest die precies vanwege zo’n vraag zo onrein is. Dat je in twijfel trekt dat wij met elkaar te maken hebben! Wat je niet verdraagt, wie iets van je vráágt en daarmee dichtbij komt en ángst in je oproept - daar wil je niks mee te maken hebben! Want anders verlies je je leven, jezelf.

Zulke onreine geest  - zo’n klimaat van angst voor elkaar, angst voor verlies, voor verandering - bedreigt de samenleving. Dat we het maar weten..!

Jezus’ uitleg van de Schrift: al die verhalen over verbondenheid en gerechtigheid, die alleen maar kunnen bestaan en relevant zijn in een gemeenschap - maken zo’n onreine geest angstig. En hij slaat wild om zich heen.

Het is een herkenbare angstige woede in ons waarvan we liever niet willen weten, maar er is altijd wel iemand - een ‘onreine geest’ zeggen wij dan, ons verontschuldigend - die het wél uitschreeuwt.

Maar: het Evangelie van deze ochtend houdt ons voor: die kwaaie geest heeft niet het laatste woord. Onze angst om met Jezus en zijn liefde in het schip te gaan heeft niet het laatste woord. Hij bestraft in dat verhaal de storm - die op het meer én de storm van de angst in de harten van zijn leerlingen - en brengt die tot zwijgen.

Zo drijft hij ook in de synagoge de onreine geest uit. Niet als iemand van de GGZ. Maar als iemand die niet wijkt voor stemmen die het ideaal en de belofte van gemeenschap - dat wij mensen wel degelijk wat met elkaar te maken en van elkaar te verwachten hebben - ondermijnen. Die niet angstig is om ter wille van de gemeenschap zichzelf te verliezen, verlies te lijden.

Dat is tenslotte niet alleen een oproep aan ons, al is het dat óók. Het is ook - dieper - de boodschap dat in Jezus, ín de weg die hij hier gaat, God zélf van geen wijken weet voor zulke onreine geesten. Dat zijn goedheid, gerechtigheid en liefde nooit uit angst voor wié of wat dan ook van ons zullen wijken.

Moge het zo zijn - Amen


[1] Tom Naastepad

 

Adventskerk 24 januari 2021, overdenking. 1 Sam.3:1-18, Marc.1:14-20

Lieve gemeente,

Wat moet je met die bijbel verhalen, staan die toch niet heel ver van ons af?

Jonathan Sacks was de Britse opperrabbijn. Hij overleed vorig jaar. In zijn laatst vertaalde boek vertelt hij hoe bijbel verhalen ons kunnen helpen bij het maken van persoonlijke keuzes in ons leven. Ze geven voorbeelden van hoe je om kunt gaan met vrijheid en verantwoordelijkheid. En ze tonen dat het maken van keuzes gepaard kan gaan met allerlei menselijke aspecten als aarzeling, berouw, schuldgevoel, of volharding. Daarom zijn ze herkenbaar voor ons.

De verhalen die we vandaag gelezen hebben, gaan over zulke keuzemomenten. Het zijn allebei roepingsverhalen.

Roepingsverhalen klinken ons vaak romantisch in de oren. Er is vaak sprake van één belangrijk moment, waarop het leven een beslissende wending neemt. Iemand krijgt in een droom of op andere wijze ineens zijn bestemming te horen, hij neemt een bepaalde taak of opdracht op zich en als hij daar maar gevolg aan geeft, komt hij volledig tot zijn recht. Iemand die zijn roeping heeft gemist vinden we een beetje sneu. Alsof je zonder grote opdracht geen bestemming zou kunnen vinden.

Maar vormen van roeping maken we allemaal mee in ons leven en niet eenmalig, maar herhaaldelijk, misschien wel voortdurend.

De vraag is niet óf we geroepen worden, maar wannéer we ons geroepen voelen. Er wordt een beroep op je gedaan en je moet beslissen hoe je daar gevolg aan geeft.

De situatie waarin een mens door God geroepen wordt, wordt in het verhaal van Samuël beschreven als een toestand waarin de Godslamp bijna uit is: het woord vd Heer was zeldzaam. Het is een tijd zonder visioenen, zonder spiritualiteit. Er is geen communicatie tussen God en mens, Gods stem bereikt de mens niet.  Eli, de priester, de ziener, zijn zicht is verzwakt; het ontbreekt hem aan visie, aan inzicht. Zijn zonen maken de tempeldienst te schande.

Samuël dient de Heer, hij slaapt dichtbij de ark, die de presentie van God vertegenwoordigt, maar toch heeft hij God nog nooit ervaren.

We kunnen er onze huidige tijd in herkennen, nu we in een tijd leven waarin  verhalen die lange tijd algemene zeggingskracht hadden, hun waarde lijken te verliezen: geschiedenis wordt geherinterpreteerd, tradities zijn verdacht en worden afgebroken, ook de boodschap van de kerk wordt gewantrouwd, instituties worden bestormd, leiders wordt gebrek aan visie verweten. We missen een toekomstperspectief, door de coronacrisis die onafzienbaar lijkt en de klimaatcrisis die op ons afkomt.

Tegelijkertijd wordt er regelmatig een appèl op ons gedaan; in kwesties waarin een beroep wordt gedaan op ons moreel besef: welke mensen moeten het eerst gevaccineerd worden? Is het nog wel verantwoord om vlees te eten, met vliegvakantie te gaan, is onze levenswijze nog wel verantwoord?

Roeping is dan misschien het appèl dat wordt gedaan op waaraan je diepste zèlf beantwoordt, je menselijkheid. En daarmee je verantwoordelijkheid, voor de mensen en de wereld om je heen.

Samuël, Eli’s persoonlijke hulp,  diende de Heer, staat er. Maar hij herkent eerst niet dat het God is die hem roept. Hij denkt dat Eli hem heeft geroepen. Tot drie keer toe.

Hoe weet je of het God is die je roept? Dat weet je niet. Een ander mens kan je daarop wijzen. Zoals Eli Samuel. En dan kun je niets anders doen dan bereidheid tonen tot luisteren.

Het antwoord van Samuël is Hier ben ik, Het is het antwoord van beschikbaarheid, bereidheid tot luisteren. Om een inzicht te ontvangen.   Het is hetzelfde antwoord als dat van Abraham, als God hem tot de orde roept en verhindert om zijn zoon te offeren. (Gen 22,11) Hetzelfde antwoord als dat van Mozes, als God hem roept vanuit de brandende braamstruik (Ex 3,4) om het volk te bevrijden uit de slavernij.

Het inzicht dat een bestaande situatie onwenselijk is en dient te veranderen. En dat jij een mogelijkheid hebt om die verandering te helpen realiseren. Maar dat er consequenties zijn. Het kan je tot tegenstander maken van degene die je wilt dienen. Die roeping is niet altijd aangenaam, kan tot dilemma’s leiden.

Samuël krijgt inzicht in de situatie rond Eli, de priester die hij dient, en wordt geroepen om hem dat inzicht door te geven. Versta: hem te vertellen dat Eli’s tijd voorbij is, hem te laten weten dat zijn functie beter overgenomen kan worden. Een kritische boodschap die nogal arrogant kan overkomen van een hulp in de tempel.

Samuel durft Eli niet meteen te confronteren met zijn droom en het inzicht dat die hem gegeven heeft. Pas na aandringen vertelt hij Eli erover.

Anders is het in het verhaal van Marcus: de vissers aarzelen geen moment over hun keuze.

Simon en Andreas, Jakobus en Johannes zijn er niet op voorbereid, ze worden niet in een religieuze setting benaderd, maar tijdens hun dagelijkse bezigheden. Ze worden door Jezus geroepen om die bezigheden te laten voor wat ze zijn en met hem mee te gaan. Ook niet al te makkelijk voor de achterblijvers.

Maar de vissers antwoorden niet eens, ze dóen het onmiddellijk. Ze laten alles en iedereen achter en volgen Jezus.

De roep van Jezus is machtig, die lijkt een beetje op het scheppingswoord van God in Genesis: God spreekt en het gebeurt.

Maar er gaat iets aan vooraf: voordat de vissers zich geroepen voelen om leerlingen te worden, voelt Jezus zich eerst zèlf geroepen: om de prediking van Johannes voort te zetten. Johannes die gevangen was gezet, die monddood was gemaakt.

Misschien identificeert Jezus zich wel met Samuël. Voelt hij zich geroepen om kritisch om te gaan met de tempeldienst en de traditie en om opnieuw te zoeken naar een invulling van omgaan met de geboden.

Jezus heeft niét zomaar ineens geantwoord op dat appèl. Hij verblijft een tijd in de woestijn en worstelt ermee voordat hij begint aan de opdracht die hij voelt te moeten volbrengen. En blijft ermee worstelen. Samen met zijn leerlingen. In gesprekken en ontmoetingen. Een appèl dat wordt beschreven met het beeld van het opvissen van mensen, dwz mensen die dreigen te verdrinken in de chaos van hun levenssituatie namens God een nieuw perspectief aan reiken. Blinden weer laten zien, mensen die het zicht verloren hebben op hun situatie een nieuw zicht geven daarop.

*

Zo’n appèl komt van buiten op je af, je bent er meestal niet op voorbereid. Het vraagt ons ons te verhouden tot mensen en zaken die niet vanzelfsprekend ons bevestigen in onze denkbeelden en levenswijze. Die soms inbreuk maken op ons dagelijks bestaan. 

Wij worstelen met het beroep dat op ons wordt gedaan bij het zien van beelden over vluchtelingen of klimaatverandering.

En wat er van ons verwacht wordt is ook niet zo eenduidig.

In de verhalen van Marcus lijken de leerlingen van Jezus insiders te zijn, zijn vertrouwelingen, maar tegelijkertijd begrijpen ze Jezus vaak niet. God is altijd weer anders dan je denkt, manifesteert zich altijd weer op andere wijze, onttrekt zich aan ons begrijpen.

Hoe kunnen we dan aan dat appèl beantwoorden?

Wij kunnen aan dat appèl beantwoorden, als we eerst de ervaring hebben dat God mij opvist, door mij aan te spreken als mens. Door allereerst mens te mogen zijn, dwz menselijk en dus feilbaar.

In alle rollen die er van ons verwacht worden in ons leven, en waarin we soms vast lopen. Zoals een politicus of ambtenaar keurig de regels, de procedures kan volgen, maar toch de menselijke maat uit het oog verliest en onbedoeld mensen dupeert.

Het is zaak je niet je laten overspoelen door alle bedreigingen van buiten, door alles wat je ziet en overkomt, maar te vertrouwen op de macht van de werking van Gods scheppingswoord: woorden kunnen het zicht op situaties veranderen en daardoor de situaties zélf veranderen, omdat er troost en nieuwe hoop is..

En ons omgaan met het leed en het kwaad in de wereld en in onszelf blijft altijd een worsteling.

Een rabbijns verhaaltje vertelt het zo. Enkele leerlingen vroegen aan hun rebbe of ze een beroemde andere rebbe mochten bezoeken om van hem te leren. Maar hoe weten we dat hij een rechtvaardige rebbe is?, vroegen ze. Je moet hem om raad vragen, zei de rebbe. Vraag hem wat je moet doen als je tijdens het bidden of studeren in de Tora gehinderd wordt door kwade gedachten. Als hij je die raad gééft, is hij een bedrieger. Want het is de mens gegeven om gedurende zijn hele leven te worstelen met het kwaad.

Dat worstelen maakt ons juist menselijk.

Daarom moeten we blijven luisteren, het luisteren, dat door Israël gemaakt is tot haar belangrijkste geloofsbelijdenis: Hoor Israel, de Heer is onze God, de Heer is Eén.

Luisteren naar de signalen van onze tijd. Naar het appèl dat steeds weer wordt gedaan op onze menselijkheid.

Luisteren naar die stem die jou persoonlijk raakt, die je roept bij je naam. Niet om je ter verantwoording te roepen, niet om je ten dienste, als instrument te gebruiken, maar zoals je aangesproken wordt door degene voor wie je dierbaar bent en die onvoorwaardelijk van je houdt: hoe is het met je, wat fijn je weer te zien, je bent voor mij de moeite waard ongeacht je tekortkomingen. Jij zult steeds wer je menselijkheid laten spreken en mensen opvissen, zoals ik ook jou steeds zal opvissen als je bang bent te zullen verdrinken.

Die stem van God die blijft roepen, zoals tot Adam: Mens, waar ben je? Dan zeg je: Hier ben ik! Spreek, Heer, ik luister…En dan kom je als geroepen.

Amen

Greetje van der Harst-de Leeuwe