LAATSTE PREEK

 

Aerdenhout, 13 september 2020, Exodus 32,7-14 en Mattheus 18,21-35

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

In Trouw stond van de week een artikel met als titel 'Soms is het moreel fout om te vergeven'. Ai! Net op het moment dat dominee een aantal 'mooie gedachten' over 'vergeven' aan het ontwikkelen was voor deze preek over Mattheus 18.

Het was een interview met een Zweedse schrijfster, Ann Heberlein, die een biografie over de Joodse filosofe Hannah Arendt heeft geschreven. Hannah Arendt heeft veel nagedacht en geschreven over het kwaad in de mens en over schuld, in relatie tot de holocaust, die zelf heeft meegemaakt en overleefd.

Zelf is Ann Heberlein op haar 19 e verkracht. Ze geeft aan dat deze verschrikkelijke ervaring haar denken enorm gestempeld heeft. Ze zegt: 'Vergeven hoeft niet altijd, mag zelfs niet altijd. De man had mij enorm beschadigd, mijn zelfrespect ondermijnd. Vergeven zou onvergeeflijk zijn. '

Ze licht dat nog verder toe, wanneer de interviewer vraagt: 'Vergeven kan toch helpen je te bevrijden, te bevrijden van de dader?' 'Als je vergeeft', zegt Ann Heberlein daarop, 'ga je een relatie aan met die ander. Maar ik wil geen relatie met de man die ik niet kende, die me verkrachtte en daarna weer uit mijn leven verdween. Hij was een vreemde en moet dat blijven. Juist deze houding stelt me ​​in staat om me te bevrijden van die gebeurtenis. ' Ze verkiest dááárom geen wraak, en dus ook geen vergeving. Ze verkiest onverschilligheid.

Een heel andere benadering was die van bisschop Desmond Tutu in Zuid-Afrika. Toen het apartheidsregime ten einde was, zat hij de zogeheten 'Waarheids- en verzoeningscommissie' voor. Deze commissie zocht een manier om het land te verzoenen en te verenigen na de gewelddadige verdeeldheid van de decennia daarvóór. Gesprekken waren het van slachtoffers en daders, waarbij de waarheid  - hoe pijnlijk die ook was - op tafel moest komen en moest worden aangehoord. Dit moest tot verzoening leiden en tot het afzien van rechtszaken en straffen.

Voorzitter van de bijeenkomsten Tutu was niet zelden tot tranen bewogen of zelfs onwel - en velen met hem - wanneer verhalen van moord en marteling werden verteld. In diepste zin was het een proces van vergeving (beslist niét: vergeten ), waarbij slachtoffer en dader elkaar ontmoeten, in de ogen moesten kijken. Een relatie , anders dan bij Ann Heberlein.

Zoals het ook anders was dat Tutu in een indringend boek over dit proces schreef dat deze vergeving ook de slachtoffers hielp zich te bevrijden van wrok, haat en het verleden. Maar, ik zeg erbij: je moet dat maar kunnen! Wij zouden niet graag in hun schoenen staan. En ook niet in die van Ann Heberlein. Zoals zíj opmerkt dat (in haar situatie) 'vergeven onvergeeflijk zou zijn', zo moeten wíj haar niet veroordelen met dat 'niet vergeven onvergeeflijk' zou zijn.

Dat betekent niet dat het in het verhaal van vandaag en eigenlijk in de Bijbel om het even zou zijn of je wel of niet vergeeft. Dat doet er wel degelijk toe, er wórdt een richting gewezen. Maar het is een richting die ons - denk ik zo - zelfs prachtig en idealistisch als pijnlijk onhaalbaar. En voor die menselijke ambivalentie van ons verleden dan ook alle begrip.

Vrijwel vanaf de introductie van mensen in de Bijbel maken moord en doodslag hun entree in de geschiedenis: Kaïn die zijn broer Abel doodslaat. Kaïn vreest ogenblikkelijk wraak. Hij is bang dat zijn daad onvergeeflijk is: geen genade zal mogelijk zijn, “andere mensen zullen me wreken”, het zal een keten van moord en doodslag worden. Zo is zijn angst.

Maar dan zegt God: 'Ik zal dat niet toestaan, wie wraakt neemt op jou zal zeven keer gewroken worden'. U schrikt daar natuurlijk van, ík in ieder geval wel. Ik bedoel: ik schrik ervan dat onze lieve Heer zelf in zulke geweldstermen, over 'wreken' spreekt. Laten we maar denken: Hij spreekt de taal van zijn tijd, de taal die mensen toen verstonden. Maar zijn bedoeling is duidelijk: géén spiraal van geweld, van wraak op wraak. En aan Kaïn persóónlijk is de boodschap: niemand zal jou doden, deze schuld van jou betekent niet het einde van je leven.

Ik las een interview met een collega die in het justitiepastoraat heeft gewerkt. Als gevangenispredikante. Het motto van dat pastoraat: 'een mens is meer dan het ergste dat hij gedaan heeft.'

Ze verhult niet dat het een hoog gegrepen motto is, als ze haar weerzin benoemt - soms - bij het lezen van iemands dossier. 'Hoe kan ik iemand een hand geven die zoveel ellende heeft veroorzaakt?'.

Toch inspireert dat hoog gegrepen motto haar telkens weer en het hélpt ook, zo'n 'idealistisch' verhaal over vergeven. Het motto poetst ook iemands schuld niet wég. Vergeven is altijd het vergeven van schuld; en het donkere verhaal wát iemand gedaan heeft moet in het licht van de vergeving wél op tafel. Maar dán is het ook: 'een mens is meer dan het ergste dat hij gedaan heeft.'

Ze zegt: 'Want mensen zijn misschien wel bankrover, inbreker of wat ook geworden, maar ze zijn zoveel meer. Ze zijn ook nog altijd beelddragers van de Eeuwige, mensen naar wie God op zoek is '. En als je dan zélf gaat zoeken naar wié en hóe jij in de ogen van God kan zijn, dan helpt dat ook bij het 'schoon schip maken'.

Dat vergeven niet automatisch spreekt, dat weten u en ik allemaal. Soms doen mensen je iets aan waarvan je hartgrondig vindt dat het onvergeeflijk is. En terwijl kennen we ook zelf ervaringen dat het ons - soms bijna buiten onszelf óm - 'gelukt' is om met iemand verder te gaan, hem of haar weer aan te nemen. En hoe goed voelt dat!

En ook het omgekeerde is waar, dat u of mij iets vergeven werd: een uitglijder, een fout, een uitbarsting, een subtiele wraakneming of zelfs groter: bedrog, ontrouw, leugens, min of meer bewuste nalatigheid. En dán, met al die 'schuld', ervaren dat je toch verder mag omdat je méér bent dan dat erge dat je gedaan hebt.

In Exodus is zie je hoe hoog gegrepen vergeving, zelfs voor de goede God - die het zo ongeveer heeft uitgevonden. Hij heeft het volk uit de klauwen van de slavernij gered en nu slaan ze zijn aanwezigheid, zijn samen met hen optrekken om er iets beters van te maken, in de wind. Onvergeeflijk in zijn ogen en hij zegt tegen Mozes dat hij het volk zal 'verteren' door zijn woede.

'Weet je, Mozes', zegt God, 'ik ga gewoon alleen met jóu verder, ik bouw uit jou wel aan een nieuw, rechtschapen volk'.

Mozes weet niet wat hij hoort. Hij leeft notabene zélf van vergeving! Als God hém niet vergeven had, was hij er al lang niet meer geweest. Had Mozes niet stiekem een ​​Egyptenaar doodgeslagen en onder het zand verborgen? Had Mozes niet keer op keer eigenmachtig gehandeld, zich op de borst geslagen - 'laat mij maar effe' - en zo zelf ook niet aan de aanwezigheid van de Eeuwige gedacht?

Mozes leeft zelf van de vergeving en dat geeft hij nu aan God terug! En hij deelt het met de anderen , met zijn volk! Houdt het niet voor zichzelf.

Hij richtte het woord tot onze lieve Heer: “Niks 'verteren'! Niks 'met mij alleen verder!' Ik leef van de vergeving die u zelf hebt uitgevonden, het is de bron van ons kúnnen leven überhaupt met elkaar! U hebt meer zo vaak vergeven, dan kunt u het volk ook nog wel een keer vergeven! En trouwens, wat zouden de Egyptenaren wel zeggen als ze zouden zien dat U deze bevrijding van ons nu al opgeeft? "

Enfin: u hebt het gehoord, God gaat óm en ze kunnen verder.

Vergeven om vérder te kunnen. Maar hoe vaak moet dat dan? - vraagt ​​Petrus aan Jezus. 'Zeven keer?' U moet weten: het getal 'zeven' speelt een grote rol bij allerlei Bijbelteksten over vergeven, verzoenen, schulden vereffenen, mensen met elkaar in het reine brengen - omwille van de lengte kan ik u daar nu niet mee vermoeien.

Maar Jezus antwoordt: 'Zeven keer? Welnee, zeventig keer zeven keer! '

Dat klinkt vaak als 'oneindig' en dat is waarschijnlijk ook zo bedoeld. Jezus wordt niet bepaald als het om genade, om liefde gaat - tot en met onze vijanden aan toe. Zelfs prachtig als misschien ergerniswekkend. Maar het is wel zijn inzet.

Alleen: hij vertelt er die gelijkenis bij. En de gelijkenis on - tot weer nieuwe verbazing voor ons - met een grens , een nogal harde grens aan vergeving. Dus aan de ene kant: zeventig keer zeven, dus eindeloos vergeven! En aan de andere kant blijkt het ook een keer op te houden. En ik denk dat als je goed naar deze uitersten kijkt, je tot de kern komt van hoe vergeving werkt.

In de gelijkenis is er aan de ene kant die koning, die zijn dienaar een immense schuld vergeeft - het geziene het astronomische bedrag - een hoge ambtenaar zijn geweest, die dat slecht beheerd heeft. Commentaren schrijven ook dat het zo groot is dat een mens dat nooit zou kunnen terugbetalen.

Deze dienaar smeekt om geduld en medelijden, om vergeving, en dat krijgt hij ook. Dat is - gezien die immense schuld - het oneindige vergeven van deze koning, op wie, zegt Jezus, de hemelse Vader zo lijkt.

Maar dan is er aan de andere kant deze dus immens vergeven dienaar die ook nog collega's, médedienaren heeft, zoals u en ik medeménsen hebben! En één van hén heeft een relatief gezien kleine schuld bij de vergeven dienaar. Die 100 denarie en die 10000 talenten verhouden zich als splinter en balk, schrijft Nico ter Linden. Toch verwijt de vergeven dienaar zijn mededienaar deze splinter en eist het bedragje terug. 'Heb ik nu niet', zegt de mededienaar, 'ik betaal je later, heb alsjeblieft geduld en medelijden', smeekt hij.

Hij vraagt ​​dus om vergeving , maar de zélf zo grotelijks vergeven dienaar wil daar niet van weten.

En nu komt het: dáár wordt die koning - die op God lijkt - zo woedend over, dáár wordt dan tenslotte toch een grens getrokken - die óns laat zien wat de kern van vergeving is.

Wát is dan die kern? Die is, dat vergeving wordt dgegeven. Dat je als mens zélf van vergeving leeft, steeds een nieuw begin mag maken en dat je - zeker als je dat grotelijks hebt ervaren - dat een ander moest doorgeven! Hem of haar ook die vergeving mag gunnen en niet - zoals Mozes gelukkig ook weigert - voor jezelf houdt! Zoals we in het Onze Vader hebben gevraagd: 'Vergeef ons onze schulden zoals ook wij onze schuldenaren vergeven'.

De vergeving wil een lopend vuurtje zijn, geen licht onder de korenmaat. De vergeving mag niet stokken, nooit!

Misschien is het hard, maar wat moet die koning anders: de dienaar in kwestie wil immers geen vergeving ontvangen? Ja, HIJ wil Het Hebben Maar Niet ontvangen, als u begrijpt wat ik bedoel.Hij wil Het Zich toeëigenen Maar de verdere voortgang of this liefde stoppen.

Dat maakt hem - Mattheus kiest zijn woorden - dat maakt hem dan slecht . Niet schuldig, maar slecht. Schuld kan vergeven worden, maar wanneer je de vergeving niet wilt aannemen en doorgeven dan ben je in de ogen van deze koning onvergeeflijk slecht.

Jezus on de gelijkenis met de oproep om elkaar van harte te vergeven. Van harte ! Want het hart is de plek in ons lijf waar we wéten, voelen en ervaren hoezeer we zelf leven van vergeving, van een káns tegen alle verwachting ín. Waar God ons aanspreekt als mensen naar wie hij op zoek is, om meer te zijn dan onze schuld. En dat ook aan anderen door te geven.

Moge het zo zijn - Amen.

 

Aerdenhout, 6 september 2020, Ezechiël 33,7-11 en Mattheus 18,1-20

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Twee collega's van mij haalden in de afgelopen week de pagina's van de Telegraaf. Een zeldzaamheid. Nav de commotie rond de minister van justitie en diens huwelijksfeestje (hier iets verderop).

Ze schreven [1] : 'In wat voor wereld willen we leven? In een wereld waarin we weten dat dingen soms niet goed gaan, en daarom mild en zelfs vergevingsgezind naar elkaar willen kijken? Of in een wereld waarin we elkaar de hele dag door de maat nemen en elkaar op elk foutje willen betrappen? '

Stevo Akkerman, die in Trouw schreef, citeerde een uitspraak drie jaar eerder 1 : 'Er is geen goddelijk oordeel meer, maar we oordelen snoeihard over elkaar, met name over publieke figuren. Vanuit het idee dat alles maakbaar is, ook de mens, gaat wie niet perfect is de mestvaalt op. Iedereen kan zomaar aan de schandpaal belanden en ruimte voor barmhartigheid, vergiffenis is er nauwelijks meer. '

Nu is er ook wel wat te zeggen uitspraken van de minister en over de gestrengheid van zijn beleid, maar daarvoor sta ik hier niet.

Ik vond alleen de lezingen die voor vandaag - toevallig, maar wat is toevallig - aan de beurt waren, weer zo ongelooflijk actueel klinken. We moeten in onze samenleving wat met conflicten van ons zijn. We moeten nadenken over hoezeer we elkaar de maat nemen en veroordelen, elkaar met schuld en negativiteit beladen en belasten. We kunnen het niet op z'n beloop laten dat tegenstellingen en tweedeling bij ons net zo onbeheersbaar worden als nu in de VS. In het klein niet en in het groot niet. Beide schriftlezingen wijzen er een weg in.

Ezechiël weet zich geroepen, zo schrijft hij: hij hoort een stem zeggen dat hij is aangesteld, als een 'wachtpost' - en dat hij wat hij te horen krijgt dus niet naast zich neer kan leggen.

Een prachtig beeld van zijn roeping: op de stadsmuur van een stad is een wachter aangesteld om te zien of er gevaar dreigt. Zodra hij dat ziet, moet hij de samenleving binnen de muren waarschuwen. ' Jij bent die wachtpost, Ezechiël', zegt een stem, Góds stem, denkt hij zo. 'Kijk of er geen gevaar dreigt, wachter!' 'Wat voor gevaar?' 'Het gevaar dat de mensen in jouw stad letterlijk op een dood lopende weg terecht komen, Ezechiël'.

Enfin, het gaat om wat zijn maar ook onze roeping is: uitkijkpost zijn! En het gaat erom dat we die taak als zin voor ons leven verstaan ​​- hoe zou je het woord 'roeping' anders moeten vertalen. En als ik dat dan zo mag vertalen, dan kan ik ook zeggen: als je hoort dat er vandaag de dag zo'n behoefte - wánt: gebrek! - is aan zingeving, dan kun je misschien zeggen: er is behoefte - want: gebrek - aan roeping!

Er is teveel vrijblijvendheid. Precies dáár tegenover staat roeping : het doét er toe dat jij er bent, jij (say we dan) kunt het verschil maken.

Maar de roeping is niet enkel 'een', ze heeft ook een inhoud. Een taak, een verantwoordelijkheid: uitkijkpost zijn. Waarschuwen, schreeuwen bij gevaar! Wát voor gevaar? Dat mensen doodlopende wegen inslaan: zich steeds verder van elkaar verwijderen, elkaar als concurrenten gaan zien, geen ruimte gunnen maar elkaar kapot veroordelen, hele groepen beledigen.

Blijf waakzaam, zo klinkt de verantwoordelijkheid aan Ezechiël meegegeven. Spreek mensen erop aan, breng het ter sprake, kaart het aan - en laat dit niet op z'n beloop.

Nogmaals: het beeld van een wachter op de stadsmuur is mooi gekozen, want de stad is bij uitstek beeld voor de menselijke samenleving. Waar altijd van buiten maar evenzeer van binnen het gevaar van vervreemding dreigt. Van anonimiteit, eenzaamheid en bijvoorbeeld 'coronaonachtzaamheid'.

Zwijg niet, krijgt Ezechiël te horen, want als jij zwijgt en dit gaat mis, dan houd ik jou verantwoordelijk! En als jij het inderdaad bij ze aankaart en ze luisteren niet, dan heb jij in ieder geval lef , heb je je verantwoordelijkheid als mens genomen, 'je ziel - je integriteit - bewaard. Maar in ieder geval géén vrijblijvendheid!

Kern is elkaar zó aan te spreken dat de ander niet bezwijkt onder kritiek of verwijten of 'aangewreven zonden'. Dat je iemand geen uitweg meer zou bieden, zoals we dat in de kerk maar ook in de sociale media zo goed konden en kunnen. Dan gaan mensen 'eraan te gronde', houdt onze lieve Heer Ezechiël voor. 'De dood' - zeg maar: het definitieve afschrijven van iemand - geeft hem geen vreugde, hij wil dat iemand 'een andere weg inslaat en in leven blijft'.

En dan Mattheus. Jezus geeft aan hoe dat in de hele samenleving - maar om te beginnen in de kleine kring van leerlingen - zou kunnen. In de laatste verzen van de Mattheuslezing geeft hij - ik zou bijna zeggen - bijna een paar 'praktische tips'.

Maar hij begint niet bij het praktische, maar bij iets principieels, iets wezenlijks. Leerlingen van hem vragen namelijk: 'wie is eigenlijk de grootste in het koninkrijk van de hemel?' Alsof je ín die roeping waar het vandaag over gaat 'groot', 'de beste' - 'kampioen' kunt zijn! Alsof je op dezelfde manier waarop je mensen véroordeelt en afbrandt op wat ze mis doen, jezélf zou kunnen beoordelen als 'groot', 'geweldig'. 'Kijk ons ​​eens!' Dat is een godsdienstige instinker van jewelste! 'Wat zijn wij toch moreel geweldig! ...'

En hierom begint Jezus - vóór hij ook maar praktisch gaat over hoe je elkaar zou kunnen aanspreken op gedrag of bij conflicten - begínt hij een kind in het midden te zetten, om daaromheen een indringende oproep te doen om te worden als een kind.

Wórden. Niet blijven. Niet de weg terug te gaan. Nee: juist als volwassene kínd wórden. Het is één groot pleidooi voor 'wat klein is'.

'Worden als een kind' is denk ik geen romantiek, geen zoete vertedering. Als je bij Mattheus kijkt hoe daar het woord 'kind' in de verhalen, dan vind je het vooral terug in Mattheus 2: de geboorte van het kind Jezus, de aanbidding van het kind, door de wijzen en de vlucht van zijn ouders mét het kind naar Egypte, omdat kinder moordenaar Herodes dit kind en vele andere wil vermoorden.

En ik denk dat dit precies aangeeft hoe Jezus het 'worden als een kind ' bedoelt. Een soort is zelfs kostbaar als kwetsbaar. Een kind kan evenzeer worden liefgehad als worden verwaarloosd. Een kind kan vertroeteld worden maar ook als kind-slaaf ingezet. Een kind kan vertederen maar gemanipuleerd als kind-soldaat evenzeer meedogenloos zijn.

Worden als een kind is in de huid kruipen van die kostbare kwetsbaarheid. Wéten dat het leven kwetsbaarheid in zich draagt. Ja: dat wij die kwetsbaarheid met huid en haar zijn. Daar niet boven staan, groter niet dan dat - dát lijkt mij 'worden als een kind'.

En dan klinkt Jezus fel: maak dat niet belachelijk, maak er geen misbruik van, laat zo'n soort - ook dat in jezelf - niet struikelen, maak het niet te schande! Neem het bij en in je op; sluit het in je hart, die kostbaarheid, die kwetsbaarheid. Word dat zelf!

En dan nog feller, over die hand en voet die je verleiden of je oog en hoe radicaal je dan moet zijn. U hoeft dat niet letterlijk te nemen natuurlijk. Maar Hoor er de ernst in, Hoe snel we - met DAT 'de Grootste Willen Zijn' in our Verhoudingen - hoe gemakkelijk we ontsporen en boegeroep Worden, ons Laten Gaan, ons verheffen boven Een Ander en zoom van Haar als 'kleiner dan Wij Zelf 'verachten.

Eén groot pleidooi voor wat klein is, voor kostbare kwetsbaarheid, in jou en in een ander, voor het 'worden als een kind'.

Het is een pleidooi voor een manier van elkaar behoeden, zoals die herder die van 100 schapen er eentje kwijt is, niét gaat voor het grote getal, niét gaat voor de 'large gros', voor de 'winst', maar voor dat ene kleintje . Het is God zelf - het is de bron van ons bestaan ​​- met dit pleidooi voor het kleine, de kwetsbaarheid.

En dán, dan tenslotte, met dít in hoofd en hart, kun je dat 'praktische traject' ingaan, van hoe je met elkaar omgaat als je een conflict hebt, als iemand een ander benadeelt en noem maar op. Vanuit die kostbaarheid, vanuit die kwetsbaarheid, vanuit het 'kind'-zijn van een ander en van jezelf.

Twee dingen vallen me nog op. Hij geeft drie zorgvuldige, 'elkaar sparende' stappen aan, om elkaar vooral te respecteren en het klein te houden (dus zeker geen getwitter). Maar als geen van deze drie aangegeven pogingen tot verzoening met iemand lukt, dan moet je hem of haar maar beschouwen als een 'heiden' of een 'tollenaar'. Ofwel, zou je denken: 'dan kun je hem of haar afschrijven, links laten liggen'. Mooi, klaar. Maar: hoe gaat Jezus ook al weer met heidenen en tollenaren om…?

En het laatste dat mij zo trof: dat Jezus zegt, als hij de leerlingen voor zulke processen tussen mensen verantwoordelijk: 'het is aan jullie om te spreken wat bindend is en wat niet'. Ofwel: het is aan júllie waar je wat strikter en waar je wat losser bent, waar je de mensen aan houdt en waar je dat wat kunt laten vieren. Dat is aan jullie , zegt hij, zoals jullie dat op aarde regelen zal dat ook in de hemel gelden.

Als u mét mij even meegaat in dit beeld van 'op aarde' en 'in de hemel'. Ík dacht altijd dat het omgekeerd was en ik denk dat godsdienstigen dat ook altijd denken: dat zulke dingen in de hemel worden bepaald en op aarde strikt moeten opgevolgd.

Maar niks hoor: dat is aan jullie, zegt hij. Alsof hij zegt: 'als jullie er op aarde uitkomen, hier wat meer gebonden en daar wat losser, dan vinden ze dat in de hemel alleen maar verheugend! Als jullie elkaar vinden en vooral dat ene schaap, zijn ze in de hemel blij. Als jullie in die pogingen tot verzoening op júllie eruit zien, dan maakt dat de hemel gelukkig!

Niemand is groot. Niemand is groter dan de ander. Niemand heeft 'hemelse' wijsheid in pacht. Ook de leerlingen niet en ook niet met een beroep op de hemel. Het is omgekeerd: de hemel beroept zich op mensen van goede wil, die er met elkaar uitkomen, die klein durven zijn op de aarde! Dan komt het goed, zo wordt vertrouwd.

Moge het zo zijn - Amen


[1] geciteerd bij Stevo Akkerman in Trouw, 3 september.

 

Aerdenhout, 23 augustus 2020, Hosea 6,1-3 en Mattheus 16,21-28

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Alsof je tegen de Russische oppositieleider Aleksej Navalny zou zeggen: 'Was nou maar niet naar Moskou gegaan, je zou je überhaupt niet tegen Poetin moeten keren'. Zo zou je kunnen actualiseren wat Petrus hier tegen Jezus zegt.

Wat was er aan de hand? Jezus en zijn leerlingen waren 'in opperbeste stemming'. Ze hadden het er over gehad 'wie Jezus voor de mensen is'. Grote namen vielen: Johannes de Doper! Elia! Jeremia! Eén van de profeten!

'En zeggen jullie, wie jullie dan dat ik ben?', Had Jezus de leerlingen gevraagd. Het ging natuurlijk niet om een ​​'titel' of 'definitie', maar om de vraag hoe ze zijn weg , zijn omgang met mensen ervaren.

Petrus had het woord genomen: 'Jij bent de Christus, de zoon van de levende God'. Geen andere woorden dan deze hoogst denkbare, hoogst gegrepen woorden waren er voor Petrus om uit te drukken wat hij bij Jezus 'leven, zoals hij dat nu al een tijdje meem, voelde. 'Zoon van God', voelde hij. 'Onaards'. 'Niet zomaar van deze wereld'.

Jezus 'feliciteert' Petrus met deze uitspraak en noemt het antwoord als niet afkomstig van 'vlees en bloed' - dus niet uit onze zichtbare, concrete realiteit - maar van de hemelse vader zelf.

En ja: er waren de onverklaarbare wonderen en genezingen, er waren de 'successen' in de debatten - maar er waren ook genoeg tegenslagen geweest, wees terugtrekkende bewegingen en bedreigingen. Er was niet alom lof en de autoriteit en machthebbers stond ook niet om Jezus 'boodschap te springen. Dus ja: hem dan 'zoon van God' genoemd is een bijzondere observatie. Om niet te zeggen een openbaring : niet zozeer uit de omstandigheden en feiten af ​​te leiden, maar wel uit hoop en vertrouwen, uit moed en durf ook. Het maakt Petrus tot een rots , iemand op wie je kunt bouwen!

De gemiddelde Rus zou al angstig om zich heen kijken en zich drie keer bedenken voordat hij zich in het openbaar zo lovend over Navalny zou uitlaten.

En dan de episode die u net gehoord hebt, want daar kantelt komt plotseling dat hele beeld van een goed gevoel - volledig!

Jezus neemt het woord. 'Die' zoon van God ', zoals je mij noemt, die gaat vanaf nu naar Jeruzalem (naar wat dus' Moskou ', het Kremlin, voor Navalny is) en zal veel lijden door toedoen van de religieuze leiders daar. Ze zullen hem doden, maar op de dag zal hij uit de dood worden opgewekt '.

Petrus schiet meteen uit zijn slof: 'Dat nooit, dat zal niet gebeuren!'. Het láátste wat Jezus zei - over 'uit de dood opgewekt worden' - schijnt hij niet te horen. Petrus ziet, hoort voorbij de dood niets meer - 'dood' is het laatste wat hij hoort, de 'grens van zijn gehoor'.

Ik zou zeggen: een begrijpelijke, menselijke reactie. Ik ben geen psycholoog en de Bijbelverhalen doen ook niet zo aan psychologie, maar ik zou bijna zeggen: dat Jezus daar zó ontzettend geprikkeld op reageert, geeft te denken dat Petrus een gevoelige snaar raakt: touché!

Natuurlijk wil geen méns een weg kiezen die bij lijden en dood uitkomt. Dat is - het wordt nog wel eens vergeten - niet het doel van Jezus 'weg. Het gaat niet om het verheerlijken of zelfs maar idealiseren van lijden.

Zijn doel is: Jeruzalem. En ín Jeruzalem is zijn doel: de oudsten, de hogepriesters en de Schriftgeleerden. Die in hun mannelijke functies herders voor hun mensen zouden moeten zijn. Leiders, begeleiders. Wijzen die richting geven. Die mensen uit naam van de God in wiens dienst ze staan ​​vrij maken, laten groeien, méns laten worden naar Gods bedoeling. Die achter en náást melaatsen gaan staan. Die de tollenaars omhelzen in plaats van ze de rug toe te keren. Vrijheid prediken in plaats van regels. Liefde verkondigen in plaats van veroordeling.

Ziet u: dit is wat hij die door Petrus 'zoon van God' wordt genoemd komt doen: zich als een ' mensen kind' (zoon van de mensen ) inzetten voor de mensenkinderen.

Met - en dat is wat Petrus niet hoorde of vooral niet kón horen - met een vertrouwen in deze weg dat voorbij de dood reikt. Dat het