LAATSTE PREEK

 

Adventskerk, 2 mei 2021, Numeri 13,17-4,4 en Johannes 15,1-8       

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Overmorgen gedenken wij opnieuw met gepaste stilte hen die voor de vrijheid van ons land gestorven zijn. Een groter goed dan deze vrijheid kennen wij denk ik niet - tot op vandaag. Door mensen die hun leven ervoor gaven te gedenken, kan het pas werkelijk tot ons doordringen hoe kostbaar vrijheid is.

In de huidige coronacrisis worden nogal eens vergelijkingen gemaakt met de Tweede Wereldoorlog en de bezetting. Frisse en minder frisse vergelijkingen. Ik weet niet of het echt kies is om de maatregelen die vanwege corona onze vrijheid beperken te vergelijken met die uit de bezettingstijd. De ene avondklok is de andere niet, zou je denken. Niemand hoeft onder te duiken. Niemands leven is in gevaar, behalve juist dat van corona- én andere patiënten.

Aan de andere kant is het wél een situatie die ons collectief behoorlijk treft en die naast de zieken en de risicogroepen ook aan veel mensen hun toekomstperspectief ontneemt. En scherp blijven op wat de overheid ons op mag leggen, is juist vanwege die Tweede Wereldoorlog - hoe onvergelijkbaar ook - een verantwoordelijkheid voor ons allemaal.

Zelf wil ik vanmorgen ook een vergelijking proberen te maken. Maar die gaat over ons antwoord op crisissituaties. Als ons iets overkómt, iets groots en overweldigends: een oorlog, een ramp, een economische crisis of zoals nu een pandemie: wat is dan ons antwoord? Hoe weren we ons dan? Wat is ons weerwoord tegen een situatie die onze gang van zaken overhoop gooit? Onze manier van leven op z’n kop zet? Hoeveel weerstand hebben we wanneer de groei van onze welvaart, alle vooral materiële vastigheid, tot stilstand komt?

Hebben we nog zoiets als geestelijke weerstand? Zoals verzetsstrijders in de oorlog die hadden, kénnen wij dat? Is dat gebleken, vraag ik me af, nu de crisis richting het einde van de tunnel lijkt te gaan en het bij de meeste mensen ‘zo snel mogelijk terug naar de situatie vóór de crisis’ is?

Misschien doe ik ze geen recht, maar ik schrik toch als je mensen op televisie bloedserieus hoort zeggen dat ze werkelijk ernaar snakken weer te kunnen shoppen. Dat met grote letters in de krant wordt afgeteld tot we weer naar de stranden in Spanje kunnen vliegen.

Ik bedoel: er zíjn momenteel ook schrijvers en denkers - iemand als Ramsey Nasr bijvoorbeeld in zijn essay ‘De fundamenten’ - voor wie de pandemie onthult wat er werkelijk mis is, al jaren, in onze manier van leven. En die een pleidooi houdt “onze plek op aarde en ons idee van geluk radicaal te herzien”. Niet eens “als zweverig ideaal, maar puur uit lijfsbehoud”, zoals het boek werd aangekondigd.

Natuurlijk, er zijn heel veel dingen die we afgelopen jaar hebben gemist waarnaar ook ik graag en van harte en zonder voorbehoud terug wil, naar zoals die wáren. Het zijn de dingen die wérkelijk ons geluk uitmaken: elkaar weer ontmoeten, mét hand, omhelzing, knuffel en kus. Elkaar weer létterlijk nabij zijn. In groepen, met vrienden en familie bij elkaar zijn. Een verjaardag vieren. Hier in de kerk samen zijn, zíngen! Koffie drinken! Naar voetballen of een concert, enz.

Maar hébben we de geestkracht om - behalve de komende maanden nog goed en gezond en verantwoordelijk door te komen - ná de crisis niet álles weer op te pakken, maar inderdaad ons ‘idee van geluk’ te herzien? Niet terugverlangen naar hoe het exact vóór de crisis was, maar er beter, innerlijk beter, in ons doen en laten beter, uit te voorschijn te komen? En wat is daarvoor nodig?

Laten we te rade gaan bij de twee verhalen die vandaag voorliggen. En die met elkaar gemeen hebben dat ze eigenlijk hetzelfde thematiseren als wat we daarnet hoorden - met die zin uit dat Pinksterlied: ‘Wat zijn de goede vruchten, die groeien aan de Geest?’

Het eerste verhaal is ook een crisisverhaal. Het volk Israël zit in de woestijn. Een verleden ligt achter hen, een verleden van slavernij in Egypte: doof, dom en afgestompt makende slavernij. Verstikkende onvrijheid. Daar zijn ze uit bevrijd, dat was hun ‘5 mei’.

En een toekomst ligt vóór hen, zoals ons altijd een betere toekomst voor ogen staat, waarin alle misstanden en onvolkomenheden eens en voorgoed zijn verholpen. Als ik me niet vergis ging het daar in de Tweede Kamer van de week ook nogal indringend over.

Er is een land beloofd, van melk en honing. Maar nú zitten we nog in de woestijn. Hoe zit dat met die toekomst van ons? Mozes, verantwoordelijk in deze situatie, wil iets ‘bieden’. Hij laat de belofte verkennen. Dat is belangrijk. Wát en hoe kan de toekomst zijn? Zo realistisch mogelijk laat hij dat onderzoeken: hoe ís het daar? Hoe gaat het daar toe?

Verkenners gaan erheen. Veertig dagen duurt hun verkennings- en bezinningstocht. Tastbaar resultaat: een enorme rank met een eveneens enorme tros druiven, door twee mensen gedragen, de goede vruchten van dat land. Ze geven het dal van die wijnstok alvast een naam: ‘druivendal’, alsof je voor je nog ongeboren kind al een naam bedenkt.

Als ze terug zijn in de kring van hun volk leggen ze die goede vruchten in hun midden, stel ik me zo voor. En doen verslag. Objectief. Voors en tegens. De pluspunten en de minpunten. Ja, een land van melk en honing, zie deze druiven. Maar ook: een sterk volk met sterke steden.

En dan komt het erop áán: hoe wegen we dan zo’n verhaal? Eén van de verkenners, Kaleb, snapt dat zij niet alleen de toekomst, het beloofde land, verkend hebben. Maar dat nu ook de harten van de mensen ‘verkend’ worden. Durven ze het aan? Hebben ze moed - geestkracht - om deze toekomst: een goede belofte maar inclusief de nog te nemen hordes, tegenslag en hun eigen angst te overwinnen?

Ziet u, dat is dezelfde vraag als die aan ons, nu wij ‘uit de woestijn van de coronacrisis’ kunnen trekken naar ónze toekomst. Ook daarin zijn hobbels en tegenslagen te verwachten, zeker als het om een toekomst gaat die ánders is ingericht - met een ander ‘idee van geluk’ - dan de woestijn waarin we nu zijn én ánders dan het verleden was, dan ‘Egypte’ was, toen we doof, dom en afgestompt waren geraakt door onze verslaving aan een bepaald soort ‘welvaart’.

‘We kunnen het aan, yes we can’, roept Kaleb, die zeer wel beseft dat dit kwartje ook de andere kant kan uitvallen. Dit ‘kwartje’ van een objectief verhaal als van het sociaal cultureel planbureau, met voors en tegens, rekenmodellen en algoritmes, allemaal heel deskundig. ‘Maar’, denkt Kaleb, ‘waar is het gedreven, inspirerende verhaal, waarin we onze eigen grenzen kunnen overstijgen?’ Later zullen ze over hem schrijven dat er in hem ‘een andere geest bevonden werd’ dan bij de anderen.

Want de andere verkenners nemen nu het woord en maken het verhaal binnen drie verzen helemaal negatief. Over het land en zijn bewoners én over henzelf. Over het land: ‘Dat volk is te sterk!’ ‘Ze verslinden hun eigen inwoners!’ ‘Ze zijn heel groot!’ ‘Het zijn reuzen!’ En over henzelf: ‘Wíj zijn maar nietige sprinkhanen, we zullen niks kunnen uitrichten’. Een debat dat escaleert in negativiteit. Er is geen houden meer aan. Iedereen begint te klagen en dan komt het: ‘We kunnen beter terug naar onze oude situatie, naar Egypte’. Naar die dove, domme afgestomptheid van je láten beheersen….

En dan het Evangelie. In Johannes 15 zijn het - dat moet je er altijd goed bij bedenken - de afscheidswoorden van Jezus, vlak voor zijn arrestatie en dood. Voor de leerlingen én voor hem zelf, die zó innig verbonden zijn geweest, in hún geloof in een goede toekomst - tekent zich af dat ze gescheiden zullen worden en die toekomst een onneembare horde zal blijken.

Ze hadden er vertrouwen in gekregen, die twaalf en Jezus. Dat het wat kon worden met de mensen, met hun land. Met Israël. In een beeld van Psalm 80: de wijngaard die God heeft aangelegd. Uit Egypte heeft hij het slavenvolk als een wijnstok ‘uitgegraven’ en in die wijngaard als volk Israël geplant. Zo verbeeldt psalm 80 dat. En de profeten hebben ditzelfde beeld gebruikt, maar kritisch als ze waren zeiden ze dat de wijngaard verwilderd was, de wijnstok verwaarloosd en de ranken verrot en verbrand in het vuur. Weg was de droom van God die de inwoners van Israël vredig ieder onzer zijn wijnstok en vijgenboom zag zitten.

Ook Jezus had dat geprobeerd. Een volk verbonden met God. Hing in het Heilige der Heiligen in de tempel niet een afbeelding van een wijnstok met ranken als teken van de bloeiende verbondenheid van Israël met de Eeuwige? Dat iedereen uit dat volk geestkracht kon ontvangen om goede vruchten aan te laten groeien, een praktijk van liefde, mededogen en vergeving onder elkaar? Zo heeft hij het geprobeerd en gedaan, met vallen en opstaan.

Maar nu nadert het einde. Is het dan voorbij, wéér mislukt? Verwildert de wijngaard opnieuw, vergáán wijnstok en ranken? Hoe moet dat na hun afscheid? Zo zitten ze bij elkaar. Ze praten wat. Ze zwijgen wat.

En dán zegt Jezus - ik parafraseer dat een beetje: ‘En als ík nu eens de wijnstok ben en jullie de ranken? Dat júllie in de toekomst de vruchten voortbrengen? Alles wat ik ín me heb - als ‘jullie wijnstok’ - aan voedsel en water, aan geestkracht, aan bemoediging, aan vergeving, aan vertrouwen, hoop, liefde, al deze woorden: ik zal jullie ermee voeden zoals een wijnstok de ranken voedt en dan zullen jullie goede vruchten dragen. Dan moeten jullie met mij verbonden blijven - zoals de ranken met de wijnstok. En ík met jullie - zoals een wijnstok met z’n ranken. Onzichtbaar met al onze vezels zijn we verbonden en verknoopt. Ja, ja! - als ík nu eens jullie wijnstok ben en júllie de ranken?’

Leven uit zijn geestkracht. Verbonden zijn met een geestkracht, weerstand, weerwóórd - groter dan jouzelf, die jou roept en iets van je vraagt om verbonden te blijven met humane waarden, met principiële gerechtigheid en liefde. Zoals de strijders en verzetsstrijders die wij gedenken.

Voor een nieuwe toekomst, voor óns,  anders dan ons verleden, zullen we ranken kunnen zijn aan de wijnstok van de Heer. Met het oog op een ‘nieuw idee van geluk’, dat wél rechtvaardig en duurzaam is.

Moge het zo zijn - Amen.

 

Adventskerk, 18 april 2021, 1 Korinthe 13 en Johannes 21,15-24     

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Het is misschien wel de belangrijkste vraag die aan een mens, aan u en mij, gesteld kan worden. De vraag die Jezus hier aan Petrus stelt. De vraag naar ons vermogen om lief te hebben!

Juist wanneer het erop aankomt, in crisismomenten en op kruispunten in ons leven, doet deze vraag er enorm toe!

Kun je dan liefhebben?! Kun je dan leven uit liefde? Kun je aanvaarden diep in je ziel dat van jou gehouden wordt?

De vraag is zo indringend en existentieel dat Jezus haar hier drie keer aan Petrus stelt. Drie keer - totdat Petrus ‘breekt’, ongetwijfeld in tranen uitbarstte.

Het doet me denken aan één van de meest aangrijpende filmscènes die ik ken. Uit de film ‘Goodwill Hunting’, waarin een in zijn jeugd zwaar mishandelde en later ontspoorde jongen, die niemand tot zijn gevoel door laat dringen, uiteindelijk in contact komt met een wat onconventionele psycholoog die blijft aanhouden met zijn warmte en geloof in deze jongen.

In een cruciale scene dringt hij diep door tot de jongen door steeds indringender en létterlijk steeds dichterbij - door zijn weerstand heen - te zeggen: ‘Al die ellende die je hebt meegemaakt, ‘it’s not your fault’. ‘It’s not your fault’. ‘It’s not your fault’. Hij breekt de barrière van de schuld, het schuldgevoel dat hij blijkbaar had - bevrijdt hem - door liefde.

Zulk aandringen op wie iemand ís, kán zijn en mág zijn, is het liefhebben waarnaar Jezus hier vraagt. En let wel: ik bedoel niét: ‘Petrus, kun jij wel zó lief hebben?’. Als vroeg Jezus naar een te leveren ‘prestatie’. Nee: het is eerder de vraag: ‘kun jij van zulke gulle, overvloedige en genadige liefde leven?

Dat is allereerst: kun jij zulke liefde ontvangen? En dan ook: kun jij dan ook mét anderen daarvan leven!? Het zijn vragen aan ieder van ons. Om goed over na te denken.

Pas als je jezelf geliefd weet, liefde kunt ervaren, ben je in staat deze ook met anderen te delen.

Juist omdat deze vraag aan u en mij zó ontzettend belangrijk is, gaat het Evangelie er hier zo uitgebreid - drie keer! - en diepgravend op in.

Jezus spreekt Petrus aan als: ‘Simon, van Johannes’. ‘Het zal wel’, denkt u misschien, ‘dat zijn vader Johannes heette, maar wat koop ik voor die informatie?’

Maar ‘van Johannes’ zou wel eens iets anders kunnen betekenen, namelijk dat hij er eentje van Johannes de Doper is, waarmee dit Evangelie begon. Johannes de Doper die de ‘doop tot ómkeer en vergeving’, kortom een nieuw begin verkondigde, als kans voor ieder van ons. Als je dan ook nog bedenkt dat de náám ‘Johannes’ ‘God is genadig’ betekent - ‘bij God is genade’ - dan kun je beginnen te verstaan waar Jezus met zijn vraag aan Petrus naar toe wil!

‘Jij was er toch eentje van “God kent genade”? Mag ik daar even bij aanknopen? Daar is het bij jou toch begonnen, met dat woord van vergeving en nieuw begin? ‘

Dat is één. Twee is, dat Jezus vráágt: ‘Heb je mij lief?’ En u hoorde bij het voorlezen dat Petrus dat niet bevestigt, in ieder geval niet woordelijk. Petrus antwoord is: ‘Ja, Heer, u weet, ik ben u bevriend’. Hij gebruikt een ander, misschien mag ik zeggen ‘minder’ of ‘bescheidener’ woord.

Uitleggers zeggen: het woord dat Petrus hier beschrijft is dat van vriendschap, vriendschap die ook vriendschap terugverwacht. Liefde op een  ‘normaal menselijke schaal’.

Het woord liefhebben dat Jezus gebruikt, vertolkt rijke, gulle en overweldigende liefde, zoals in die film; die jou aanvaardt en draagt en diep vervult waardoor je er ook met anderen uit kunt leven. Jou wordt ze gegund en het kan niet anders dan dat jij ze ook een ander gunt. En toch is het liefde zonder tegenprestatie. In Bijbelse taal: het is een genadige liefde. De liefde die Paulus bezingt in 1 Korinthe 13.

Toch neemt Petrus in zijn antwoordt dat woord voor ‘liefde’ niet in de mond. Is het hem ‘te groot’? Te ‘verheven’? Voelt hij zichzelf tekort schieten, indachtig zijn driemaal verloochenen van Jezus? Zeggen wij niet al gauw: ‘Gebruik maar niet ál te grote woorden, die kun je toch niet waarmaken’?

Desalniettemin geeft Jezus Petrus een eerste taak, ‘weid mijn lammeren’. Volgens sommigen[1] een eerste klusje ‘voor een beginneling’, een herdersjongen, die op de lammetjes mag passen. Petrus die zich niet zo geschikt vindt na alles wat er gebeurd is - hij is nodig, mág er zijn, wordt voor vól aangezien.

En Jezus - die wil dat hij dat zelf ook ziet - dringt opnieuw aan: ‘Simon, ja, jij die door Johannes gedoopt bent, gereinigd, vergeven en bekeerd - wil jij met mij uit die liefde leven die onze levens overstijgt en opwelt uit een bron die nooit opdroogt?’

Maar Petrus komt opnieuw nog niet verder: ‘Ja, u weet toch, ik ben U bevriend’. Waarom toch? Is het ‘netjes’ om bescheiden te blijven in je aspiraties, ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’? Is dat waarmee het veiligheidshalve wij denken het wel vol te houden in het leven, rustig de eindstreep mee te halen? Een ‘afgewogen’ liefde onder elkaar, niet overdrijven, ‘voor wat hoort wat’, ‘het moet van twee kanten komen?’, dat werk.

Maar is dat een ‘liefde’ die tot anderen door kan dringen als ze zijn vastgelopen? Is dat liefde die tot u en mij zélf kan doordringen als we diep in ons hart twijfelen, aan onszelf, aan anderen, aan God? Aan ons bestaan, ons recht er te zijn? Als schuld aan ons vreet, ons geweten knaagt? Is dat de liefde die je werkelijk vrij maakt en bij een nieuw begin, een nieuwe start kan brengen met wat of wie of wanneer dan ook?

Bij Jezus is het die liefde wél! En daarom dringt hij áán om nu índringend dóór te dringen. Nu néémt hij dat ‘beperktere’ woord van Petrus in de mond - en breekt het áf: ‘O ja, Simon, bén jij dan werkelijk “van God is genadig”? Ben jíj dan werkelijk mij “bevriend”? “Meer dan de anderen hier?” Wat stelt dat dan voor?

Begrijpt u goed: hij zegt het niet om Petrus af te breken, maar hij zegt het om de muur rondom Petrus’ hart, zijn verdedigingslinie ‘ik doe toch mijn best’ af te breken, om zodoende met die overweldigende, gulle, genadige liefde van God tot hem door te dringen! Hij hoéft niet te presteren, ‘jij hoeft niet jouw best te doen, Petrus, je hoeft je enkel te openen om aan zulke liefde deel te hebben!’

En dan ‘breekt’ Petrus. Tranen. Een scherpzinnige geest[2] merkte op dat Petrus in Johannes’ Evangelie sinds het hanengekraai - in tegenstelling tot het Matheusevangelie - nog niet gehuild had. Nu wél! ‘Heer, u weet alles, u kent mij, ik ben oprecht als ik zeg ‘ik ben u bevriend’; en ja, vérder ben ik nog nooit gekomen, maar wie weet…!’

En dan krijgt hij na een tweede ook zijn derde verantwoordelijkheid, nu de volwassen taak van een herder, om te weiden, nieuwe grond, nieuw voedsel voor de schapen te zoeken. Hem wordt deze zorg voor mensen toevertrouwd, als een delen in die rijke, overvloedige liefde.

Volg mij, volg deze liefde, zegt Jezus hem. Ze zal je brengen waar je misschien niet gebracht wilt worden, je voor keuzes stellen waarvoor je liever niet had willen komen te staan, je zult duizend doden sterven - maar steeds zal deze liefde je dragen en voeden en steeds zal ze in jou opstaan tot eer van God - aan dood en je angst voorbij.

Misschien is dat ook onze terughoudendheid voor deze overvloedige en genadige liefde: dat het aprons iets kost, veel kost, wanneer we een ander alles vergeven óf ons moeten voorstellen dat óns alles vergeven wordt. Het druist tegen onze berekenende, het evenwicht bewarende ‘vriendschappelijk liefde’ ín.

Precies daarom kijkt Petrus naar die andere leerling, die in het Johannesevangelie vaker voorkomt en van wie altijd gezegd wordt dat het de door Jezus zo geliefde leerling is. Nooit en nergens lees je waarom dat zo is. Altijd maar weer ‘de door Jezus zo geliefde leerling’, zonder ‘opgaaf van reden’…

Maar ziet U: dat is nu precies waar het hier, aan het einde van het Evangelie, om gaat: onberedeneerbare en onverdiende liefde! Een leerling van wie Jezus zomaar houdt tegenover de leerling - Petrus - die altijd haantje de voorste wil wezen, de eerste van allemaal, voorrang wil - ik zou bijna’ zeggen: ‘paus wilde worden’. Die nog met een zwaard de soldaten die Jezus arresteren te lijf gaat. Die om het hardst met die andere, geliefde, leerling naar het graf holt, die uit de boot springt met z’n kleren aan als de opgestane op de oever blijkt te staan. De mens die de liefde wil verdienen, ervoor wil presteren.

En let wel: ik val zijn gedreven inzet niet af. Maar aan die andere leerling zie je werkelijk die overweldigende liefde waar het hele Evangelie om ging en gaat. Het is als het verschil tussen Martha en Maria. De één niet, maar de ander weet - ik kan het nu niet anders zeggen - de ander weet te genieten van deze liefde, van de nabijheid van deze liefde in ons leven.

En dat maakt vrij, ontspannen, open. Het zou de wereld en onze omgang met elkaar vredelievender maken dan die nu is.

Dus: geniét maar deze liefde - moge dat zo zijn!

Amen.


[1] Carel ter Linden in Bijbelse miniaturen

[2] Tom Naastepad, Pasen en Passie bij Johannes II

 

Adventskerk, Pasen 2021, 1 Korinthe 15,42-49 en Johannes 20,1-18

Gemeente van de opgestane Heer,

Ik was dezer dagen erg onder de indruk van het verhaal van Bibian Mentel, snowboardster, die vorige week overleed. Haar verhaal: hoe ze zichzelf opnieuw moest ‘uitvinden’ na - meerdere keren - de confrontatie met een haar lichaam slopende ziekte. Hoe ze uit die diepte, áfgrond - laat ik vandaag zeggen: gráf - opstond. En ook nu, voorbij haar lichamelijke dood, een inspiratiebron is voor velen.

Ze is niet de enige. Zoveel mensen - u herkent het misschien - komen in hun leven een keer in een afgrond terecht. Verlies van een geliefde, van gezondheid. Een relatiecrisis. Vastlopen in het leven. Een mens kan duizend doden sterven.

Vasalis dichtte: ‘Verdriet kit al mijn krachten samen, zodat ik roerloos word als steen. Mijn hele wezen wordt materie, een ondoordringbaar star mysterie, o sla de rots, opdat ik ween’.

Verstenen van verdriet, zelfs je tranen die verstarren.

Het is als de steen voor het graf in het Evangelie, die voor Maria Magdalena afsluit van haar leven: haar geliefde, haar gids die richting wees, haar rabbi die het onderwijs van de hoop gestalte gaf. Je bent nergens meer met zo’n steen voor ogen - zo’n steen op je maag.

Er is alleen pijnlijk zwijgen. De stilte van een graf. En leegte. Het zo lege gevoel van verdriet.

Maar dán begint het Evangelie. Die steen blijkt weggenomen. Er is een opening. Toegang. Maar toegang tot wat? Niet tot het ‘oude’ leven, zoals het wás.

Wie rouwt, rouw heeft gedragen, wéét dat.

Maria haalt haar vrienden Simon en nog een andere leerling van Jezus erbij, bij die toegang. Het ‘oude leven’ blijkt weg. Ja, er liggen de windsels en de doek, keurig opgerold. Maar die onderstrepen juist dat wat wás, is opgeruimd.

Ze zijn als een cocon. Maar waar is dan de vlinder?

De twee mánnen trekken het niet en gaan weer naar huis. Maria is gebleven, bij de leegte en bij de stilte.

In Trouw een recensie van een boekje van de mij onbekende dichteres Chandra Livia Candiani. Zij schrijft over stilte - en ik dacht: ook over déze stilte bij het graf: ‘Stilte is niet zwijgen of het zwijgen opleggen, het is een uitnodiging, het is in het gezelschap verkeren van iets teders, iets dat ons omhult, waar alles al is gezegd. De stilte glimlacht. (…) De kunst van ‘punt, nieuwe zin’, die me leert me te laten schrijven. Stilte zaait. Woorden oogsten. Stilte is iets levends.’[1]

Zo’n stilte leeft hier in het verhaal. Een scheppende, herscheppende stilte. ‘Punt. Nieuwe zin’. De vrouw die bij deze stilte is gebleven, Maria, verwacht misschien dat ook deze stilte zááit. En dat ze een woord - aanspraak - zal oogsten.

En ja: twee boodschappers in witte kleren - ijler, geestelijker, dan mensen kunnen zijn, twee éngelen, ‘bewaken’ deze stilte. Ze zitten aan weerszijden van de leegte die Jezus heeft achtergelaten. Ze zéggen niks. Ze stellen een vráág: waarom, waarom jouw verdriet?’ Ze zijn nabij, in wezen als stilte.

Maria antwoordt: ‘mijn Heer is weggenomen en ik weet niet wáár ik hem zoeken moet’. En ze draait zich om. Je snapt even niet waaróm. Waarom draait ze zich om? Ík zou naar die engelen zijn blijven staren in dat graf. Wachten op hun antwoord. Maar niet zij. Gaat ze nu op wég? Een keerpunt in haar leven? Maar ze heeft nog geen antwoord op haar vraag.

Wél aanspraak. Er staat een mens van vlees en bloed, ‘de tuinman’ denkt ze. Rembrandt schetst hem met strooien hoed en schep.

Óns heeft Johannes al verklapt dat het Jezus is. Maar er wórdt ons in dit leven helemaal niet zoveel ‘verklapt’. Je moet het gáán zien en dat heeft tijd nodig. En aandacht. Pas als de man in de tuin haar aanspreekt, haar bij haar náám noemt, herkent ze in hem haar rabbi, die van het onderwijs van de hoop. Ze strekt haar handen al uit.

Maar wacht even: gaan we nu tóch beleven dat ze ‘het oude leven’ weer te pakken heeft? Dat hij er ‘gewoon weer’ ís? Want wat ís die wens bij ons toch sterk!

‘Houd me niet vast’, zegt Jezus, of zelfs: ‘raak me niet aan’.

Niet het óude leven, niet dat van jou en niet dat van mij. Maar een nieuw, herschapen, leven. Waarover het licht van opstanding valt. Het oude leven is ten einde, maar iets nieuws begint.

Het geloof in de opstanding is geen geloven in onsterfelijkheid. Het is het geloof in de enorme liefdeskracht van God die door de dood heen iets nieuws kan beginnen.

En ja, ik weet het: als verhaal is dit onbevattelijk, moeilijk te geloven, zeker in de 21e eeuw. Maar zoals je niet tegen de zon ín kunt krijgen - zij zou je verblinden - zo kun je dit verhaal niet ‘récht áánkijken’. We zullen met de zon ‘mee moeten kijken’ naar onze wereld, naar onze levens: hoe zij ons met haar enorme kracht op menselijke schaal verlicht en verwarmt.

Zó is het met de opstanding. Het is een enorme kracht, die op de schaal van ons mensen - van ons dagelijks leven - onze levens wil vernieuwen.

Doen opstaan waar we neerzitten: uit wanhoop, uit verdriet, uit machteloosheid.

Ons opwekken uit apathie, onverschilligheid en slordigheid in de omgang.

Ons doen herrijzen uit een leven dat is vastgelopen en doodgelopen.

Nieuw leven geven aan onze hoop, aan ons geloof, aan onze liefde.

Opstanding zegt en máákt dat het wat worden kan met ons, met ons leven, zegt Paulus aan de Korintiërs. Dat we aan elk einde een nieuw begin kunnen ontdekken. Dat er beweging mogelijk is waar het is vastgeroest met ons.

Dat als ons leven zoals het wás is afgeschreven - zoals bij Bibian Mentel - er ná die ‘punt’ een nieuwe zin begint! Een zin die zij zocht en nog vele jaren in haar doen en laten ‘uitschreef’!

En dan óók dat zelfs als ons aardse leven gestórven is, het een nieuw geestelijk lichaam krijgt!

En over dat laatste wil ik het tenslotte met u nog hebben. Ik nodig u uit om dat eens te bekijken op een manier die van ons individuele zélf áfwijst. Die aan ons ‘individuele’ lot voorbíj durft te denken. Want gaat het er ons bij het geloof in de opstanding niet vaak om dat we ons afvragen: ‘wat komt er van mij persoonlijk dan terecht’?

En ik begrijp die vraag. En sommigen niét en sommigen wél kunnen met enige moeite zich vinden in wat Pauls hier schrijft. Er zal iets als een ‘geestelijk lichaam’ van ons blijven, bij God, of in de hemel.

Maar zit er ook niet déze kant aan: dat ons leven, ons levensverhaal, ons geleefde leven een ‘geestelijk lichaam’ krijgt d.w.z. dat het lééft in de harten en gedachten van die ons kennen en liefhebben. Dat wat wij in deze wereld gezaaid hebben door de generaties ná ons geoogst kan worden?

De Joodse filosoof Abraham Joschua Heschel zei ooit, op de vraag waarom het in zijn geloof toch steeds maar over Abraham, Izak en Jacob die toch allang dood zijn gaat: ‘Abraham, Izak en Jacob zijn geen principes, ideeën of abstracte waarden die begrepen moeten worden, maar levens die voortgezet moeten worden’.

God is nog steeds in onze wereld met deze al lang gestorven mensen bezig. En ménsen putten inspiratie uit deze gestalten, die als ‘geestelijke lichamen’ onder ons zijn.

Met de grootst mogelijke nadruk zegt Paulus dat de vernieuwing, opwekking, opstanding van ons leven daarmee ook al hiér in dit leven begint. Dat wat aan ons vergankelijk is, onvergankelijk kan worden. Dat wat aan ons onaanzienlijk en zwak is, respectabel en krachtig kan worden.

Hij put uit zijn eigen biografie: “Ik was maar een náár mannetje, dat jullie vervolgde. Niet kon uitstaan een leven in geloof, hoop en vergeving. Ik nam iedereen de maat, had over alles een oordeel, had ik twitter gehad, dan had mij van mij kunnen horen. Tot de opgestane Heer aan mij verscheen en de steen van mijn starheid wegrolde en een door mij voor onmogelijk gehouden nieuw begin zich opende!” De oude Paulus kon sterven, een nieuwe is opgestaan!

Denk niet: ‘dat gebeurt mij niet’. Ik weet zeker dat het zich bij ieder van ons eens aandient. Want zo is het leven bedoeld: dat het ook herschapen, opgewekt kan worden!

Als we maar - zegt Paulus - beginnen met vertrouwen, dat we ‘uit de hemel’ kunnen leven. Hoe aards we ook zijn - en ook mógen zijn - vergeet niet te reiken naar wat boven je eigen hart en gedachten uit gaat. Durf te dromen. Durf je te openen. Durf het onverwachte te verwachten! Dus: dat het van elders, van ‘boven’, van ‘God’ komt. Dat zal ons opwekken!

Moge het zo zijn - Amen, Halleluja!


[1] Trouw 31 maart 2020

 

Adventskerk, Witte Donderdag 1 april 2021, Johannes 13,1-38 en 1 Korinthe 11,23-26

Gemeente van onze Heer Jezus Christus

Er zou een waarschuwing boven dit verhaal moeten staan: ‘aanstootgevend voor uw ego’. Niet omdat in dit verhaal Jezus op traditioneel christelijke manier mensen zichzelf compleet wil laten wegcijferen. Maar omdat hij dat wat wij voor ons ‘ego’ de hoogste waarden vinden compleet ondersteboven gooit.

Deze week overleed Bibian Mentel, snowboardster, aan een ziekte die haar lichaam in twintig jaar sloopte. Maar niet haar ‘spirit’, niet haar kracht, niet haar ‘ziel’ om het gelovig te zeggen, niet haar ‘ego’.

Ze wist dat ze naar onze maatstaven zou verliezen. Toch was haar laatste optreden er eentje op een seminar over ‘overwinnaarsmentaliteit’. Indachtig haar naderende dood hield ze ons voor dat we allemaal sterfelijk zijn. ‘Dat is een gegeven. Hoe je ermee omgaat is aan jezelf’.  Soms moet je kiezen uit twee kwaden. Maar het gaat erom dat het jouw keuze wordt, aldus Bibian Mentel. Let wel: ze ontkent de angst niet, dat het ‘eng’ is. En een worsteling. Drie dagen lang huilen omdat ze moest kiezen tussen een stukje been eraf of een volledige amputatie. Maar vervolgens maakte ze haar keuze - en hoe! En daarmee zet ze onze maatstaven over ‘winnen’ en ‘verliezen’ op z’n kop.

Wanneer mensen zulke dingen inzien en het opbrengen eruit te leven is ‘die wij God noemen’ in het spel, zegt het geloof, die ‘kracht van boven’, d.w.z. van bóven wat wij dachten te kunnen, van hoger dan onze gedachten en groter dan ons hart. Die onvermoede, onberedeneerbare verrassende spirit als diepste bron in ons hart te ontdekken.

Vanuit deze bron kan een mens zich géven aan anderen, overgeven aan een situatie óók als die een tegenslag is, een weg die door de diepte voert.

De diepste naam voor deze ‘kracht van boven’, deze bron dieper dan onze ziel, is: liefde. Liever nog het wérkwoord: liefhèbben.

Jezus heeft de zijnen tot het einde toe lief gehad, schrijft Johannes. Niet ‘tot zijn levenseinde’, maar tot het moment waarop je niet méér liefde kúnt geven omdat je domweg álles gegeven hébt.

Dat is - om daar nog even op terug te komen - niet het wegcijferen van je ego - maar het tot zijn ultieme bestemming brengen, jouw ego ‘op z’n best’.

Woordeloos is het gebaar waarmee hij dat hier laat zien: de voetwassing. Hij wéét dan dat iemand uit het midden van zijn vrienden hem zal uitleveren. Maar hij weet óók dat zijn hemelse Vader hem álles in handen geeft wat hij in die situatie nodig zal hebben. Niet om hem eruit te redden, maar om als mens het er ín (ín die situatie) te redden.

Het is het bijna niet te bevatten, dwaas-paradoxale van het geloof: Judas kan overleveren wat hij wil. Hij kan Jezus straks met zijn kus overleveren aan de soldaten, aan de Farizeeën, aan de hogepriester, aan Pilatus - maar toch zal hij hem nergens anders aan overleveren dan aan die ongelooflijke liefde, dan in de handen van de goede God.

Nooit dieper kan ik vallen dan in Gods eigen hand, waarmee Hij ons barmhartig omsluit aan alle kant, dichtte Sytze de Vries.

Of ik denk aan Rilke, met zijn gedicht ‘Herbst’, waarin vallende bladeren in hem oproepen dat wij allemaal vallen en zúllen vallen: Wir alle fallen. Diese Hand da fällt. Und sieh dir andre an: es ist in allen. Und doch ist Einer, welcher dieses Fallen unendlich sanft in seinen Händen hält.

Straks als Judas is vertrokken en de nacht komt, zal Jezus dit benoemen als ‘verheerlijken’: het mensenkind - de mens die hij belichaamt, de mens in alle kwetsbaarheid voor geweld en dood en tóch met die ongelofelijke kracht begenadigd - het mensenkind zal verheerlijkt worden, wanneer hij deze weg gaat, deze keuze maakt. En, zegt Jezus, daarmee zal Gód verheerlijkt worden - een mens die deze keuze kan maken ‘bewijst’ de kracht van God. En omgekeerd ‘bewijst’ deze kracht van God het kostbare van ieder mens.

Je overleveren aan liefde. Zwijgend als meester de vieze voeten van je leerlingen wassen. Ik zie het in onze collegezalen nog niet gebeuren.

Petrus protesteert. Ú wast mij de voeten? Ú, die ‘boven’ mij staat? Petrus hecht - namens ons allemaal - aan zulke rollen. Aan boven en beneden. Aan hoog en laag. En waarom eigenlijk?

Ik denk om wat Jezus meteen na de voetwassing van de leerlingen vraagt, hij zegt: Als ík die rollen doorbreek, dan júllie ook. Die rollen op z’n kop zetten betekent: wij moeten ook elkáár de voeten wassen, ‘liefde leveren’.  

Als je daar niet van gediend bent, zegt Jezus, dan wil je dus niet deelnemen aan mij, dan wil je dus niet deze liefde met anderen delen. Dan kan die liefde niet de grond onder je voeten zijn. De hand onder je bestaan die je opvangt als je zou vallen - zou vallen wanneer jij je overlevert aan een ander. Aan een situatie die een tegenslag is.

Iemand[1] schreef ooit: “Een mens is pas nederig, niet alleen wanneer hij bereid is een ander te dienen, maar ook wanneer hij bereid is van die ander een dienst te ontvangen”. Wanneer ‘hoog’ ‘laag’ wordt en ‘laag’ ‘hoog’.

Petrus vindt: ‘Laten we die verhouding maar niet verstoren’.

Maar bezien vanuit de liefde die onder de mensen nodig is: om te géven én om te óntvangen, ís deze voetwassing geen vernedering. Het is iets anders: een geheim van iets ‘heerlijks’.

En het gaat aan die tafel nóg veel verder, als Jezus zichzelf verrassend en volkomen nieuw met het voor breekbare mensen gebroken brood identificeert: ‘Zó wil ik zijn voor jullie’. Als een offer biedt hij lichaam en leven aan.

Maar zelfs dit ‘offer’ is geen vernedering, maar een ‘hoog houden’ van de liefde. Dat is het geheim van deze avond en de dagen die komen.

Moge het zo zijn - Amen.


[1] Nico ter Linden