Home arrow Van de Predikant arrow Preken arrow Gemeente van onze Heer Jezus Christus
Gemeente van onze Heer Jezus Christus Afdrukken
Geschreven door Ds.A.Hoogenkamp   
'Mijn geliefden!', zo noemt Paulus de leden van de gemeente in Filippi. Vanuit de gevangenis in Efeze schrijft hij een dankbare en opgewekte brief. Paulus verheugt zich over deze mensen. 'Mijn geliefden!' Het is een soort liefdesbrief. Sommige dominee's beginnen elke zondag hun preek met deze krachtige uitroep: 'Geliefden van onze Heer Jezus Christus!' Of nog korter: 'Geliefden!' Dat is nog niet zo gek: de preek als een liefdesbrief van God. Paulus schrijft aan 'al de heiligen in Jezus Christus, die te Filippi zijn'. Wie zijn dat, al die heiligen van Filippi? Zouden er zoveel geloofshelden in deze stad wonen? Veel martelaren misschien? Dat kan. Maar het hoeft niet. Misschien is het minder spektaculair. Want heiligen, heilig, zo noemt Paulus alle mensen die op de één of andere manier deelhebben aan de prediking van het evangelie. Dat is een royale opvatting van wie en wat heilig is. Een bijbelse opvatting.
Heiligen, zó zou Paulus ons ook noemen. Want ook wij hebben vanmorgen deel aan die prediking van het evangelie. Dus mocht er ooit een onbestelbare brief binnenkomen, gericht aan al de heiligen in Jezus Christus die in Den Haag zijn, dan is er post voor u. 'Mijn geliefden!' Vaak is Paulus nogal knorrig, nogal kritisch in zijn brieven.
Als hij schrijft zithij zich meestal op te winden over iets, en dat gaat niet altijd subtiel. Maar hier is hij opvallend hartelijk en aardig. Paulus is duidelijk dol op de Filippenzen. Hij heeft het over hun fijngevoeligheid, hun inzicht en hun gehoorzaamheid aan het evangelie. Over hun liefde, die overvloedig is. Paulus dankt God voor deze gemeente - er is ook veel om dankbaar voor te zijn. Het gaaf gewoon goed in Filippi. En dat is tamelijk ongewoon in de kerk - dat hoor je niet vaak: dat het gewoon goed gaat.
Een modelgemeente.

Nee, toch niet helemaal.
Want Paulus roept in het stuk dat we vanmorgen lazen op tot eenheid, tot gemeenschap. Vervul mijn blijdschap door eensgezind te zijn, schrijft hij. Jullie zijn geweldig, schrijft hij, maar maak me helemáál gelukkig door op dezelfde manier gericht te zijn op hetzelfde.

Blijkbaar is er een verschil van mening, onenigheid. Niet iets ernstigs, geen grote theologische kwestie, maar toch... Paulus kan het niet uitstaan. Doe niets uit zelfzucht of ijdelheid, schrijft hij, maar laat in vernedering de één de ander hoger achten dan zichzelf.

Bij dat woord 'vernedering' moet Paulus denken aan een bekend lied, een songtekst uit die dagen. Een hymne, een loflied op Christus. In dat lied gaat het namelijk ook over 'vernedering'. Paulus gebruikt het om duidelijk te maken wat hij bedoelt.

We kennen dat wel. Als het er echt om spant, als het echt belangrljk wordt in ons leven, dan gaan we stamelen en citeren. 'Woorden van een ander kunnen het dan vaak beter zeggen dan onze eigen woorden. Als wij geen tekst meer hebben, als we stilvallen van ontroering, vreugde of verdriet, wanhoop of dankbaarheid, dan lenen we woorden. Boven een rouwadvertentie, in een trouwdienst, op een geboortekaartje. Uit een gedicht of een lied, een stuk uit de bijbel of een songtekst. Omdat woorden van een ander soms zo raak en treffend zeggen wat wij voelen en bedoelen.

Laat in vernedering de één de ander hoger achten dan zichzelf, zegt Paulus dus tegen de Filippenzen, en dan begint hij over Jezus: in de gedaante van een mens vernederde hij zichzelf, werd gehoorzaam tot de dood, ja, tot de dood aan het kruis. Dit lied uit Filippenzen 2 - het staat vetgedrukt op uw liturgie - is erg bekend geworden. Het is waarschijnlijk de oudste belijdenis, het oudste messiaanse credo dat we hebben. voor de liefhebbers van dogmatiek: de triniteit moest nog uitgevonden worden, maar de tweenaturenleer is volop present. We zien het leven van Jezus in één grote beweging: van hoog naar laag, van boven naar beneden, en dan weer terug van beneden naar boven, van laag weer naar omhoog. Het is meeslependmateriaal, prachtige poëzie. Je gaat er vanzelf van zingen. In het Liedboek voor de Kerken staan meer dan twintig liederen die op de één of andere manier gebaseerd zijn op deze tekst. Vooral advents- en kerstliederen, en dat is logisch, want dat is de beweging: van de hoge hemel naar de stal beneden.

Wij zingen dit lied vaak los van de context. Als een mooie songtekst die iets duidelijk maakt over wie Jezus is. Een belijdenis, een credo, een glorialied.
Wij zingen Christus zo de hemel in.
Maar het is goed om te zien dat Paulus dit lied niet los zingt van de context. Hij citeert dit lied niet om iets te zeggen over de twee-naturenleer of over de triniteit, niet om uit te leggen hoe het wezen van God in elkaar steekt of hoe de pre-ëxistentie van Christus gedacht moet worden, niet om te bewijzen dat God bestaat of te vertellen hoe het er in de hemel aan toe gaat. Nee, Paulus gebruikt dit lied omdat hij iets te zeggen heeft over de aarde. Over hoe het er bij ons aan toe moet gaan. Over hoe we met elkaar om hebben te gaan. Paulus heeft het hier over de mores, de codes, de etiquette van het Koninkrijk: zoals in de hemel, zo ook op aarde.

In de context van deze brief is dit lied dus niet om mooi vroom, niet mooi om het mooi. Dit lied heeft bij Paulus een duidelijke functie: het is dienstbaar aan de opbouw van de gemeente.
Wat moet er worden opgebouwd in de gemeente van Filippi?
We zagen dat er een verschil van mening was.
Dat is blijkbaar de alledaagse, wat banale achtergrond van deze hoogchristologische, verheven hymne: trammelant op de vierkante centimeter. Dat lijkt wat overdreven, buitenproportioneel. Om bij (ik noem maat wat) een conflict in de liturgie-commissie nou meteen de hele weg van Christus, met kruisdood en al, uit de kast te halen...
Dat staat niet helemaal in verhouding, vinden wij.
Grof geschut, met een kanon op een mug schieten. Je moet niet overal meteen God bij halen. God heeft wel wat anders aan Zijn hoofd dan onze kleine dingetjes met elkaar. Er zijn belangrijkere zaken: oorlog, geweld, honger, onderdrukkittg...
Je moet de dingen wel een beetje in de juiste proporties zien.

Maar volgens Paulus zijn dit de juiste proporties.
Paulus zet ons eigen gelijk, onze betweterigheid, ons de-ander-nét-even-te-slim-af-zijn, onze rellerigheid, ons tuk-zijn-op-conflicten, ons gekonkel en onze kerpolitiek, kortom: heel onze'gewone' manier van omgaan met elkaar, huppekee, rechtstreeks in het licht van het kruis van Christus.
Dáár hoort het thuis, vindt hij, en nergens anders.
Elke vorm van verdeeldheid in de gemeente van Christus is voor hem blijkbaar volstrekt onaanyaardbaar. Paulus maakt geen onderscheid tussen groot en klein geweld. Gekonkel in een synode-commissie, gekissebis in het ministerie van predikanten, geroddel na een kerkenraadsvergadering... volgens Paulus is dat dus ongeveer hetzelfde als een verre oorlog aan de andere kant van de wereld. Want allemaal het gevolg van dezelfde mentaliteit, dezelfde gezindheid. Het heeft te maken met jezelf hoger neerzetten, jezelf breder maken, jezelf belangrijker vinden dan de ander. Zelfzucht, zo noemt Paulus dat. Hoogmoed.

Wat is dat, hoogmoed?
Het is niet iets groots, niet iets spectaculairs, niet zo makkelijk aan te wijzen. Hoogmoed hoort zo helemaal bij ons dat we er helemaal aan gewend zijn. Het is een deel van wie we zijn, oîze identiteit. Het is de subtiele wijze waarop wij het vaak toch wel erg met onszelf getroffen hebben: onze manier van leven, onze inzichten, onze westerse cultuur. Het heeft te maken met lekker jezelf zijn en daar vervolgens genoegen mee nemen. Met ik-ben-nou-eenmaal-zo en dat hebben anderen maar te accepteren. En als het botst, als er ruzie van komt, jammer, maar dat hoort gewoon bij het leven. Je kan niet door iedereen aardig gevonden worden.

In de kerk zijn we van oudsher niet voor hoogmoed. Daar zijn we tegen.
Aan de andere kant zijn we tegenwoordig ook niet erg voor nederigheid. En vernedering, dat vinden we helemaal een vervelend woord. Een christendom dat mensen klein maakt en klein houdt, daar waren we toch eindelijk een beetje vanaf?! Mensen moeten zichzelf niet minder maken danze zijn.
Wij zijn door God in de ruimte gezet. 'Wij moeten ons kunnen ontplooien, juist en vooral in de kerk! Hoofd omhoog en borst vooruit...

Heb je naaste lief zoals jezelf. In preken over deze oproep van Jezus ligt de nadruk tegenwoordig vaak op dat laatste woord: jezelf. Je moet eerst en vooral van jezelfhouden, voordat je überhaupt van je naaste kunt houden, dat is dan de strekking. Een beetje rekening houden met elkaar, okee, wat respect en tolerantie over en weer, natuurlijk... Maar dat van dat vernederen zien we niet zo zitten.

Toch staat het er echt. Vernederen is zelfs het kernwoord van de tekst vanmorgen. Paulus roept de Filippenzen op in vernedering de ander hoger te achten dan zichzelf. En juist dát woord, 'vernedering', brengt Paulus ertoe dat vemrkte lied over Christus te citeren. 'Mijn geliefden! Verneder je. Verneder je zoals ook Christus zich vernederd heeft. . .'
Niets over eerst van jezelf houden en dan daama misschien eventueel als het zo uitkomt ook van de ander. Niets over zelfontplooing of lekker jezelf zijn. Niets over ruimte en tolerantie en respect. Nee: laat in vernedering de één de ander hoger achten dan zichzelf. Onmiddellijk gevolgd door een tweede oproep: laat die gezindheid, die mentaliteit, bij jullie zijn die ook in Christus Jezus was.
Blijkbaar moeten we het daar zoeken: bij Jezus.

Laten we eens kijken. Wat is dat dan, die gezindheid, die mentaliteit van Jezus?
Als mensen dat proberen onder woorden te brengen, als ze iets willen zeggen over die gezindheid van Christus, wordt het vaak een beetje moeilijk om ze te volgen. Woorden schieten tekort. Het wordt onsamenhangend. Geheimtaal, tongentaal. Of zoals met Pinksteren: 'Ze hebben teveel zoete wijn gedronken!'
Als het er echt om spant, als het echt belangrljk wordt in ons leven, gaan we stamelen of citeren. Zo ook Paulus. Zelfs Paulus, de man van het onnavolgbare faaie en breedsprakige proza, die moeilijke Paulus met zijn overvloed aan woorden, gaat hier, als hij iets probeert te vertellen over de mentaliteit van
Jezus, woorden lenen. Een songtekst citeren. Hij gaat zingen. Van betoog naar lied.

En nu van lied terug naar preek. Want de opdracht is vanmorgen toch iets te zeggen over Christus' mentaliteit, en als het even kan toch graag een beetje samenhangend. Een poging. Het loflied uit Filippenzen 2 laat een grote beweeglijkheid zien. Zo is de gezindheid van Jezus Christus blijkbaar: niet statisch, maar beweeglijk. Van de troon daarboven naar de aarde beneden. God met - ons, mens zijn met de mensen, in volstrekte solidariteit. Daar heeft die vernedering mee te maken. Want mensen zijn van beneden, mensen gaan dood.
Als ze oud zijn en de dagen zat of als ze jong zijn en nog lang niet klaar met leven. Rustig in hun bed of afgeslacht op straat. Dat lot, ons mensenlot, heeft
Jezus willen delen. Op Golgotha wordt duidelijk wat die incarnatie, wat die stal in Bethlehem eigenlijk te betekenen heeft. God-met-ons, tot in de uiterste consequentie - gehoorzaam tot de dood. En deze vernederde mens is door God verhoogd. Met de middelen van beneden: het kruis. God grijpt in en buigt om: van omlaag weer naar omhoog, van beneden weer naar boven. Beweging.
Nieuw begin. Opstanding. Pasen.
Want zo gaan de dingen blijkbaar bij God: wie trouw is tot het einde, wie de ander hoger acht dan zichzelf, wie zichzelf prijsgeeft en vasthoudt tot het eind en daarmee leven voor anderen mogelijk maakt, die heeft bij God een naam. Een naam boven alle namen.

In die Naam bestaan wij. In die Naam bestaat de gemeente. Er is van alles gebeurd. De grote beweging van hemel naar stal, van kruis naar Pasen, die grote beweging van God ligt achter ons. En wij zijn daarin opgenomen. Dat weten we als we aan onze doop denken: door het water, dwars door de dood, meegetrokken door Christus, Hij grijpt je bü je lurven en laat je niet los, en daar gaan we: kopje onder, en huppekee, met Christus weer omhoog. Onze doop ligt achter ons. Wij zijn van hem. Paasmensen. Daar kan je geen wetenschappelijk artikel over schrijven, daar kan je geen lezing over houden. En eigenlijk ook niet over preken. Daar kan je eigenlijk alleen over zingen.

Paulus zingt. En hij troost, vermaant en bemoedigt. 'Mijn geliefden!'
Je kwam van beneden, maar Christus heeft je gevonden, ergens langs de kant van de weg. Zo als een koopman in oudroest een leeg benzinevat, zegt Gerrit
Achterberg in zijn gedicht Deisme. Hij ging er zelf aan onderdoor, maar hij heeft je gevonden, opgehaald. Meegetrokken, gekroond, verhoogd.
Je bent van Christus. Laat zien bij wie je hoort! Ga dan ook meebewegen met die grote beweging van Christus: van boven naar beneden, van hoog naar laag.
Gedraag je naar de mores, de codes, de etiquette van het Koninkrijk. Zoals in de hemel, zo ook op de aarde.
Maak jezelf niet breder, hoger, belangrijker dan de ander. Je staat samen in hetzelfde licht. In ieder mens heb je te maken met een geliefde van de Heer.
Zo gedraag je je ook. Zo treedt je elkaar tegemoet. Zo ga je met elkaar om.
Je bent geroepen tot eensgezindheid.
Niet omdat iedereen het met elkaar eens moet zijn.
Niet omdat nederigheid zo'n mooi ethisch principe is, of omdat de ander per definitie beter is dan ik.

Je bent geroepen tot eenheid omdat er één Heer is.
Eén waarheid, één weg, één leven. Eén Naam boven alle namen.
Wie zich daarop richt, richt zich vanzelf op de gemeenschap, dat kan niet anders, zegt Paulus.

De praktijk is weerbarstig. De kerk lijkt vaak meer op een centrifuge dan op een gemeenschap van heiligen: bij het minste of geringste vliegt iedereen een andere kant uit - geen Heer in ons midden, maar middelpuntvliedende kracht. En wij lijken vaak meer op een stel kikkers in een kruiwagen dan op geliefden van de Heer.
En toch. Toch belijden wij, dwars tegen de feiten in: wij zijn één.
De eenheid in de gemeente van Christus is niet één of ander mooi ideaal.
Die eenheid is gegeven - in de gemeenschap met Christus.
Wij zijn met elkaar verbonden, of we nou willen of niet, elkaar gegeven, toevertrouwd. In zijn Naam. De naam die boven alle namen is.

Wij belijden. de gemeente van Christus is geen menselijk project.
Wij hoeven, wij kunnen de eenheid niet maken of bewaren.
Het is Gods centrifuge: Hij is de oorsprong, de bron.
Het is Zijn kerk niet die van ons.
En wij zijn kikkers van Christus.
Zijn geliefden. We laten zien bij wie we horen. We gaan meebewegen met Zijn grote beweging: van hoog naar laag, van boven naar beneden.
We springen uit de kruiwagen.
We zijn op weg naar de kribbe.

Amen.