Van de Predikant
Preken
Johannes 2, 1-12 | Johannes 2, 1-12 |
|
|
Het verhaal van de bruiloft te Kana is een roerende maar ook vreemde vertelling. Wat is het vreemde? Het gaat om een bruiloft, maar we krijgen bruid en bruidegom niet in zicht. Wel daarentegen Jezus en Maria, maar hun band lijkt zeker niet vrij van spanning. De korte dialoog lijkt niet echt vriendelijk. Jezus die aan Maria vraagt ‘wat wil je van me’, als was zij een klassiek claimende moeder. Dus je verwacht op een feest te komen waar de liefde centraal staat, waar je zicht zult krijgen op het hart van het verbond tussen man en vrouw, maar dat alles blijft geheel uit zicht. Wat we echter wel zien is hoe een andere relatie, die van moeder en zoon, spanning vertoont. Voorts, wat vreemd is, dat volstrekte tekort aan wijn. Verrassend, want wat je nodig zult hebben aan wijn op zo’n feest, dat is te voorzien. Op deze trouwdag echter valt de liefde al in kleurloos water voordat het leven begint. Toch een sombere tekening en dat verbaast, zo aan het begin van het evangelie. Maar dat is nog niet alles, er is natuurlijk nog het wonder. Zes metreten die tot de rand toe moeten gevuld moeten worden, waarbij we het wel hebben over vaten van elk zo’n 125 liter. Dus de overvloed aan wijn die geschonken kan worden is ook weer verbazend en je ziet een contrast tussen tekort en overvloed. Maar je ziet ook een contrast tussen eisen en verwachtingen van de zijde van Maria en vervulling door Jezus. Daarom is het een verhaal dat raakt op vele wijzen.
We richten ons op het wonder zelf en kijken naar die enorme vaten. De inhoud daarvan is zo ongeveer per vat die van een badkuip en in totaal gaat het - om het even voorstelbaar te maken - om 900 flessen! Die vaten staan daar omdat ieder die op het feest aankomt zich moet kunnen reinigen. Versta, zijn voeten en handen moet kunnen afspoelen. Begrijpelijk, maar tegelijkertijd is er ook weer veel meer dan dat. Reinigen vindt niet alleen dan plaats, het gebeurt zonder ophouden. Op elk moment moet men zich reinigen. De priester die het offer bedient, de man die ziek is, de vrouw die ongesteld is, mensen die gemeenschap hebben gehad, degene die een dier eet dat gewoon is gestorven; in al die gevallen moet je je reinigen. Reinigen is zo ongeveer de hoofdwet van het leven. Wat inhoudt dat de angst voor onreinheid in het leven ook heel groot zal zijn! Op elk moment moet je beducht zijn voor aanraking met het onreine. Zeker als je God nadert, dan moet je helemaal zorg dragen voor reiniging. Je gaat dus na of je lichaam rein is. Of het niet met een dode of onrein dier in aanraking is geweest etc. Maar bovendien, zoals Jezus zei (Matth 15), het gaat niet om reinheid van de buitenkant maar van de binnenkant. Dus je bedenkt, nogmaals met Jezus’ woorden, wat je ‘boze gedachten’ zijn: ‘moord, overspel, diefstal en laster’. Als je dan eerlijk bent en jezelf aftast, dan kun je nooit helemaal rein zijn. Je zult altijd zoeken naar een klein eilandje in jezelf dat wel helemaal rein is, waar nu eens geen spatje onreinheid heerst. Maar bestaat dat? De angst voor onreinheid zal je dwangmatig speurder maken naar alles wat zweemt naar het onvol-maakte. Met als gevolg dat je, op zoek naar het eiland der ongereptheid, steeds in jezelf voor jezelf vlucht. Sterker, als reinheid de hoofdwet is van het leven, dan vlucht je in het leven voor het leven. Die vaten staan bij de ingang van het huis der liefde. Eerst reinigen. En grondig! Water ter reini-ging in overvloed. Maar wijn te weinig. De wijn is op aan het begin van het leven. Het leven kan niet eens beginnen. Wat is dan geloof? De rite van de reiniging? Nee, want juist de reiniging maskeert de echte pijn: schuld en schaamte. Maar reiniging maakt ook schoonheid tot kitsch. Reiniging ontkent de grote polen van het leven schoonheid, liefde, schuld en gemis. Reiniging steekt niet diep genoeg. Niet voor schoonheid en liefde, niet voor schuld. Zij suggereert dat je zaken uit elkaar kunt leggen die voor altijd met elkaar verweven zijn. Wederom, als dat zo is, wat is dan geloven? Dit: deze wereld, dit leven met rein en onrein, is Gods liefde, zijn schepping. Het is zozeer zijn passie dat Hij in dit leven wil leven, mens wil zijn. Dus ook onrein, want het gaat God niet om rein of onrein. God wijst niet het leven af omdat het onrein is en Hij is niet de reine God die torent boven een onreine wereld. Het gaat hem om een allerdiepste aanwezigheid in alle zaken van het leven. Niet als mede oorzaak van pijn, dood, schuld en gemis, maar als het goede dat diep[er steekt dan dit alles. Het gaat Hem om zijn aanwezigheid op elk moment, om nabijheid zonder vervreemding. Dan wordt geloof het omarmen van het besef dat er levensvreugde in leven schuilt die Gods adem is en dat dit de toonhoogte is die onze levensvreugde doet klinken. Dat schuld dus altijd vergeven kan en schoonheid en vreugde altijd gevonden zullen worden. Dat het hart moet kloppen en dat pijn niet vermeden kan, maar wel genezen. Dat Gods nabijheid in je leven steeds nabijer wordt, dat Hij in je hart steeds meer in dat hart zich toont. Dat is geloof. |


