Home arrow Van de Predikant arrow Preken arrow Palmzondag, 1/4/2007
Palmzondag, 1/4/2007 Afdrukken

AERDENHOUT, Palmzondag 1/4/2007. Geloofsbelijdenis. Tekst: Marcus 11, 1-11

Het verhaal van de intocht lijkt een vrolijke bedoening zonder enige wanklank. Er ontstaat blijkbaar spontaan een feestje rondom Jezus, mensen zetten hem op een ezel en halen hem zo feestelijk Jeruzalem binnen. Een volksfeest, zoals alle intochten volksfeesten zijn. Vanaf Sinterklaas tot en met prins Carnaval. De kern van zo’n feest? Je haalt iemand binnen die je wel én niet serieus neemt. Een spel waarbij je weet dat de hoofdpersoon straks weer zijn gewone leven opvat, want hij is nu eenmaal geen echte prins of heilige. En Jezus is dus geen echte God en straks is hij weer een gewoon mens. Een onschuldig feest derhalve, lijkt het. Maar de mensen die Jezus nú toejuichen zullen hem week later joelend de dood in schreeuwen. Het is de beruchte wisseling tussen ‘heden hosanna, morgen kruisig hem’ want niets is er zo veranderlijk als de volksgunst. Op het ene moment ben je idool, op het andere schietschijf. Blijkbaar kunnen we als een blad aan de boom omdraaien en is het verschil tussen liefde en haat dat tussen 1 vóór 12 en 1 over 12. Hoe komt dat? Omdat het idool de verborgen droom symboliseert van een mooi, perfect en gelukkig leven. Maar zodra dat dunne vlies van de droom scheurt, barst onze teleurstelling daarover als agressie los en willen we het liefst dat mislukte idool in stukken scheuren. Want echt dromen, dat kan dus blijkbaar niet. Terwijl we anderzijds zeker dat het niet waar kan zijn dat je níet kunt dromen. Want zonder droom gaat je ziel verloren, verkilt je gevoel en raakt je hart verdord. Zonder droom word je eenzaam, zonder muze zing je niet, zonder passie zul je nooit een innerlijk vuur kennen. Dus kun je droom en werkelijkheid in één hand houden? Dat is de vraag.

Jezus gaat met zijn discipelen op weg naar Jeruzalem temidden van duizenden pelgrims die daar allemaal het paasfeest willen meemaken. Hij houdt vervolgens stil in het dorpje Bethanië, waar iedereen zich opmaakt voor de laatste 6 kilometers. Jeruzalem ligt dan voor je als een stralende stad, een droom op een heuvel. Je verricht je laatste gebeden, je frist je op en gaat op weg. Dáár ligt je droom, dáár schemert je bestemming, je voelt het verlangen in je aderen kloppen. Als Jezus die plek ziet, waar zijn bestemming schemert zonder te weten of het een droom of nachtmerrie zal zijn, houdt hij echt stil en stuurt twee discipelen naar het dorp tegenover om een ezel te halen die daar vastgebonden staat. De eigenaars zullen natuurlijk protesteren, maar dan moeten zij zeggen dat de Heer het dier nodig heeft en het snel zal terugsturen.

Waarom eigenlijk halt houden en omslachtig een ezel laten zoeken in een ander dorp terwijl er overal ezels rondlopen? Ook in het dorpje waar Jezus dan juist is. Denkt u even mee. Jezus ziet Jeruzalem voor zich als bestemming. Nu is bestemming eerstens een weg die je van A naar B uitstippelt en als je die afgelopen hebt, kom je op je bestemming uit. Denk daarbij aan de weg van de carrière of de weg van de targets die je wilt halen. Dat zal ook wel lukken; het gaat daar om een haalbare bestemming. Daaronder echter ligt bestemming als het verlangen met jezelf samen te vallen. Dus de diepe wens ergens te zijn waar je in op kunt gaan, waar je tot je recht komt en opbloeit. Waar je het gevoel hebt dat je krachten zich kunnen ontplooien en dat je thuis bent in je zelf. Dat is al wat lastiger, want vaak schuren we langs onszelf heen. We laten onze talenten uitbotten, dat wel, maar je bent niet thuis in jezelf. De parel schuurt langs de schelp en natuurlijk is dat zijn huis. Maar het is niet zijn thuis. Je verlangen wijst je dan weliswaar de weg, maar… voor het eerst merk je dat je bestemming net buiten je bereik blijft. Je hebt hele weg naar Jeruzalem gelopen, dat is gelukt, maar die laatste 6 km, kun je die nog afleggen? Of is dat een droom, een onbereikbaar beeld? Waaruit volgt dat het laatste aspect van bestemming iets moet zijn dat die afstand kan overbruggen en je thuis brengt. Een innerlijke én uiterlijk stem die de be-stem-ming haar ware naam geeft en die de laatste afstand overbrugt. Wat mooi klinkt, maar de parel die uit schelp geraakt om thuis te komen, ervaart ook een vervreemding, een losraken van ‘t vanzelfsprekende. Het gaat ook niet vanzelf en is niet vanzelfsprekend. Zij komt niet op eigen kracht uit de schelp, maar wordt geroepen en gedragen. Een stem, een kracht, moet je dragen; nogmaals, vandaar be-stem-ming. Jezus zoekt dus voor die laatste kilometers een dragende kracht, hij zoekt een ezel in deze momenten van vervreemding. Die dragende kracht komt niet uit je eigen huis of dorp (anders had je geen stem nodig die je riep) en moet dus uit het dorp tegenover komen.

Laten we dan eens aannemen dat die ezel, die dragende kracht, zoveel is als de vreemde bijbelverhalen die je niet direct eigen zijn. Die vervreemdend zijn maar ook iets met je bestemming te maken hebben. Dat het de verhalen zijn die een weg uitstippelen, die een thuis vertegenwoordigen, die je roepen. Dat die verhalen het ezeltje zijn waarop Jezus Jeruzalem wil binnenrijden. Welnu, dan komen de discipelen bij dat ezeltje, maar dat blijkt vastgebonden. Bovendien zijn er eigenaars die het bewaken. Dat kun je je ook voorstellen bij de grote verhalen over God. Die zijn vastgebonden aan interpretaties en dan zijn er natuurlijk ook nog wachters die de heiligheid ervan bewaken. Denk daarbij aan kerkelijke officials, dominees, priesters en al die kerkelijke instellingen die waken over de juiste leer en interpretatie. Één ding is dan hoofdzaak in onze tijd: maak dat ezeltje los! Het is hoog tijd. Net als de discipelen; dat zijn we nu eenmaal: elke keer een volgende generatie discipelen. Want elke generatie moet op zijn manier Jezus kunnen binnenhalen. Ieder moet op eigen wijze zien hoe de laatste 6 km naar de bestemming overbrugd kunnen. Zoals Jezus op eigen wijze op het Woord van God Jeruzalem binnenreed.

Waarbij u natuurlijk wilt weten hoe dat Woord de afstand tussen een mens en zijn bestemming overbrugt? Hoe kom je in de stad van vrede? Wel, dat kan alleen als het Woord de volgende stukken bevat die antwoord geven op de vervreemding die elk mens ervaart en die hem zo vaak laten als parel die wel een huis heeft, maar geen thuis. Dat Woord moet eerstens je zelfkennis zover verbreden dat je een nieuwe dialoog met jezelf kunt aangaan. Een dialoog die dan uiteindelijk niet tussen jou en jezelf gaat, maar tussen jou en God. Want God is een stem in je, maar op gegeven moment begrijp je dat die stem in je ook een stem buiten je is. Een stem die je kent en draagt. Dat Woord moet vervolgens verzoening én verlangen wekken. Verlangen om werkelijk het geheim en de zoetheid van het leven te proeven. Het Woord is dan een parel geworden die je draagt omdat God zijn nieuwe schelp is geworden en jij een nieuwe schelp voor God. Maar het Woord moet ook verzoening zijn indien de laatste kilometers niet te lopen vallen. Er hoort dus ook bij het vermogen een bepaalde vervreemding als eigen aan het leven te ervaren en te weten dat het verdriet daarover geen eenzaam maar gekend verdriet is. Tenslotte, het Woord moet je daarom bovenal vrede brengen. Het vermogen zo bij God te zijn dat je bij jezelf bent en zo bij jezelf dat je bij God bent.

Zo maakt elke generatie de ezel los. Wie er nu ook als belangrijke mensen omheen staan en roepen dat zij de eigenaars zijn. Nee, elke generatie voert op eigen wijze Jezus Jeruzalem binnen. Want elke generatie wil ervaren dat zijn eigen bestemming een geheim is dat de mens bij God brengt en God bij de mens. Zodat je met nieuw leven bekleed kunt worden, zelfs als je dan door dood en verlies van jezelf heen zou moeten. Want God is een God levenden en niet van doden.